De Hoge Raad oordeelde op 24 december 2021 dat de wijze waarop de box 3-heffing sinds het jaar 2017 is vormgegeven in strijd is met zowel het discriminatieverbod (art. 14 EVRM) als het recht op ongestoord genot van eigendom (art. 1 EP EVRM). De wetgever bood rechtsherstel door middel van een alternatieve rendementsberekening gebaseerd op de zogenoemde forfaitaire spaarvariant.
Op 6 juni 2024 oordeelde de Hoge Raad echter dat ook dit rechtsherstel de toets der kritiek niet kan doorstaan. Met name de rendementsberekening op overige bezittingen is nog altijd discriminatoir. Er blijft een groot verschil in fiscale behandeling bestaan tussen succesvolle en minder succesvolle beleggers zonder dat daarvoor voldoende rechtvaardiging is. Dit geldt ook voor de Overbruggingswet box 3, omdat die op dezelfde uitgangspunten is gebaseerd. In reactie hierop heeft de wetgever met terugwerkende kracht een tegenbewijsregeling op basis van werkelijk rendement in box 3 geïntroduceerd.
Vervolgens werd in mei 2025 het wetsvoorstel werkelijk rendement box 3 ingediend. Dit voorstel voorzag in een combinatie van een vermogenswinstregime voor onroerend goed en aandelen in startups & scale-ups en een vermogensaanwasregime voor andere bezittingen. Het wetsvoorstel stuitte echter op grote weerstand in de Eerste Kamer. Op 29 september 2026 heeft het kabinet daarom een aanvulling aangekondigd, waardoor ook financiële instrumenten direct bij de voorziene inwerkingtreding van de wet per 2028 op basis van vermogenswinst worden belast. In 2030 zouden alle bezittingen en schulden onder het vermogenswinstregime moeten komen te vallen.