De Hoge Raad heeft geoordeeld dat fiscale partners geen wijziging meer mogen aanbrengen in de verdeling van de gemeenschappelijke inkomensbestanddelen en de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen nadat achterwaartse verliesverrekening is toegepast.
Verdeling gemeenschappelijke inkomens- en vermogensbestanddelen
Fiscale partners mogen gezamenlijke inkomensbestanddelen, zoals de belastbare inkomsten uit eigen woning en het inkomen uit aanmerkelijk belang, en de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen vrij verdelen. Voor zover geen onderlinge verdeling is gekozen worden deze inkomsten en vermogensbestanddelen geacht bij elk van hen voor de helft op te komen.
Wijziging van de gekozen verdeling is mogelijk totdat de aanslag inkomstenbelasting van beide fiscale partners onherroepelijk vaststaat. Daarop bestaat echter een uitzondering als de aanslag van een partner onherroepelijk komt vast te staan naar aanleiding van een arrest van de Hoge Raad. In dat geval staat de wet toe dat de onderlinge verdeling tot zes weken na die uitspraak kan worden aangepast. De gedachte hierachter is dat de fiscale partners pas na die onherroepelijke uitspraak volledig zicht hebben op de cijfermatige uitwerking van de gekozen verdeling.
In een op 27 maart 2026 gewezen arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat niet valt in te zien waarom dit anders zou zijn na een uitspraak van de Hoge Raad in een massaal bezwaarprocedure. Als de inspecteur geheel of gedeeltelijk in het ongelijk is gesteld, dient hij binnen zes maanden na de collectieve uitspraak op bezwaar vermindering te verlenen aan belastingplichtigen die daarvoor in aanmerking komen. In dat geval mogen de betrokken fiscale partners zelfs nog tot zes weken na die verminderingsbeschikking wijziging aanbrengen in de gekozen verdeling.
Achterwaartse verliesverrekening
Recentelijk werd aan de Hoge Raad de vraag voorgelegd of wijziging van de verdeling ook mogelijk is na toepassing van achterwaartse verliesverrekening. In die zaak had een gehuwde belastingplichtige over 2018 een ondernemingsverlies geleden. De inspecteur heeft dit verlies achterwaarts verrekend met box 1-inkomen uit 2015. Hierdoor kon de ondernemer de heffingskorting niet meer volledig benutten. Daarop hebben de fiscale partners verzocht de onderlinge verdeling te mogen wijzigen. De inspecteur heeft dit geweigerd omdat beide aanslagen over 2015 al onherroepelijk vaststonden. De achterwaartse verliesverrekening brengt daar geen wijziging in.
Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelde dat sprake is van een bijzondere omstandigheid die niet door de wetgever is voorzien en tot een met de algemene rechtsbeginselen strijdige wetstoepassing leidt. De Hoge Raad oordeelt onder verwijzing naar de conclusie van Advocaat-Generaal Pauwels echter dat van zulke bijzondere omstandigheden geen sprake is. Wijziging van de verdeling is daarom niet meer aan de orde. Het cassatieberoep van de staatssecretaris wordt gegrond verklaard.
Bronnen: