De Hoge Raad heeft op 25 juni 2026 geoordeeld dat de inspecteur geen ambtshalve vermindering hoeft te verlenen aan belastingplichtigen die niet tijdig bezwaar hebben gemaakt tegen de box 3-heffing voor de jaren 2017 t/m 2020.
Kerstarrest
De Hoge Raad oordeelde op 24 december 2021 dat de wijze waarop de box 3-heffing sinds het jaar 2017 is vormgegeven in strijd is met zowel het discriminatieverbod (art. 14 EVRM) als het recht op ongestoord genot van eigendom (art. 1 EP EVRM). Bij wijze van rechtsherstel verminderde de Hoge Raad de aanslagen inkomstenbelasting 2017 en 2018 (de jaren waarover de procedure ging) door alleen het daadwerkelijk behaalde rendement in de heffing te betrekken, maar schreef niet in zijn algemeenheid voor op welke wijze rechtsherstel diende plaats te vinden.
Uitgangspunten rechtsherstel
Het kabinet hanteert als uitgangspunt dat compensatie wordt geboden aan belastingplichtigen die hebben deelgenomen aan de massaalbezwaarprocedures over de jaren 2017 tot en met 2020 en aan belastingplichtigen van wie de aanslag inkomstenbelasting over (een van) die jaren op 24 december 2021 nog niet onherroepelijk vaststond. Rechtsherstel wordt geboden via de zogenoemde forfaitaire spaarvariant en is verankerd in de Wet rechtsherstel box 3.
Op 6 juni 2024 oordeelde de Hoge Raad echter dat ook deze wet de toets der kritiek niet kan doorstaan. Met name de rendementsberekening op andere bezittingen dan spaartegoeden is nog altijd discriminatoir. Er is een aanmerkelijk verschil in fiscale behandeling blijven bestaan tussen succesvolle en minder succesvolle beleggers zonder dat daarvoor voldoende rechtvaardiging is. Vervolgens is met terugwerkende kracht tot 1 januari 2017 een tegenbewijsregeling op basis van werkelijk rendement aan box 3 toegevoegd, die grotendeels gebaseerd is op de regels die de Hoge Raad in zijn arresten van 6 juni 2024 heeft gegeven.
Geen rechtsherstel voor niet-bezwaarmakers
Daarmee waren echter nog niet alle problemen opgelost. Er lopen namelijk ook procedures over de vraag of rechtsherstel moet worden verleend aan belastingplichtigen van wie de box 3-heffing over de jaren 2017 tot en met 2020 al onherroepelijk was geworden toen het Kerstarrest werd gewezen.
De Hoge Raad oordeelde op 20 mei 2022 dat het Kerstarrest als ‘nieuwe jurisprudentie’ kwalificeert en dat de inspecteur blijkens art. 45aa Uitv.reg. IB 2001 geen ambtshalve vermindering hoeft te verlenen van een aanslag inkomstenbelasting die reeds onherroepelijk was toen het Kerstarrest werd gewezen. Dat is slechts anders indien de Minister van Financiën besluit een uitzondering te maken. Het kabinet heeft echter op Prinsjesdag 2022 laten weten dat niet te doen.
Massaal bezwaar plus
Omdat deze beslissing de nodige beroering veroorzaakte en verschillende belangenorganisaties van mening waren dat in voornoemde zaak niet alle relevante argumenten naar voren zijn gebracht, is in overleg met het Ministerie van Financiën besloten om de Hoge Raad (opnieuw) de vraag voor te leggen of het weigeren van ambtshalve vermindering in de gegeven omstandigheden terecht is. Daartoe werd de zogenoemde ‘massaal bezwaar plus’ procedure ingevoerd (art. 9.7 Wet IB 2001), die voorziet in de mogelijkheid om ook een aanwijzing ‘massaal bezwaar’ te geven voor verzoeken om ambtshalve vermindering betreffende de inkomstenbelasting.
Conclusie A-G Pauwels
Op 8 mei 2026 nam Advocaat-Generaal Pauwels conclusie in twee zaken die als proefprocedure dienen. In een gemeenschappelijke bijlage bij deze conclusies besprak hij alle naar voren gebrachte argumenten. Kort gezegd is hij van mening dat Rechtbank Den Haag en Rechtbank Zeeland-West Brabant terecht hebben geoordeeld dat geen sprake is van verschoonbare termijnoverschrijding en dat de inspecteur geen ambtshalve vermindering hoefde te verlenen aan belastingplichtigen die niet (tijdig) bezwaar hebben gemaakt tegen de box 3 heffing over de jaren 2017 tot en met 2020. Dit oordeel is op 25 juni 2026 door de Hoge Raad overgenomen.
Oordeel Hoge Raad
Geen verschoonbare termijnoverschrijding
De Hoge Raad bevestigt dat geen sprake is van verschoonbare termijnoverschrijding. De stelling dat de overheid haar burgers beter had moeten informeren over de noodzaak om bezwaar te maken om toegang te krijgen tot de massaalbezwaarprocedure doet hieraan niet af. Die noodzaak is in dit geval pas ontstaan met het arrest van 24 december 2021. En op dat moment stonden de in geschil zijnde aanslagen inkomstenbelasting al onherroepelijk vast.
Meer in zijn algemeenheid oordeelt de Hoge Raad dat een door de rechter geconstateerde schending van de in art. 14 EVRM & art. 1 EP EVRM opgenomen rechten niet betekent dat een verdragsluitende staat geen beperkingen zou mogen aanbrengen in de termijn waarbinnen een rechtsmiddel moet worden aangewend. De reguliere bezwaar- en beroepstermijn van zes weken en de regeling voor verschoonbare termijnoverschrijding zijn in overeenstemming met het recht op een effectief rechtsmiddel als bedoeld in art. 13 EVRM.
Nieuwe jurisprudentie
Vervolgens komt de vraag aan de orde of het arrest van 24 december 2021 als nieuwe jurisprudentie kwalificeert in de zin van art. 45aa Uitv.reg AWR. De Hoge Raad oordeelt onder verwijzing naar zijn arrest van 20 mei 2022 dat dit inderdaad het geval is. Het sinds 2017 geldende box 3-regime wijkt zodanig af van de voorheen geldende regeling dat de aan het Kerstarrest voorafgaande uitspraken van de Hoge Raad daarover geen uitsluitsel boden. Bovendien heeft de Hoge Raad zich pas op 24 december 2021 voor het eerst genoodzaakt gezien om zelf rechtsherstel te bieden.
Geen discriminatie
Dan gaat de Hoge Raad in op de stelling van belanghebbenden dat de uitzondering voor ‘nieuwe jurisprudentie’ in strijd is met het discriminatieverbod. Belastingplichtigen die niet (tijdig) bezwaar hebben gemaakt tegen de box 3-heffing over de jaren 2017 tot en met 2020 en belastingplichtigen die dat wel hebben gedaan kunnen volgens ons hoogste rechtscollege echter niet als gelijke gevallen worden aangemerkt. Er is geen sprake van ongerechtvaardigde ongelijke behandeling.
Evenredigheidsbeginsel
Ten slotte gaat de Hoge Raad in op de vraag of de ‘nieuwe jurisprudentie’ uitzondering in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Voorafgaand moet worden getoetst of de formele rechtsbeginselen van zorgvuldige voorbereiding en motivering zijn geschonden. Dat is niet het geval. De Hoge Raad stelt vast dat de gerechtvaardigde belangen van de betrokken belastingplichtigen kenbaar zijn meegewogen door de regelgever. Vervolgens gaat hij door met de inhoudelijke toets aan het evenredigheidsbeginsel.
Uit conclusie van A-G Pauwels blijkt dat redenen van uitvoeringstechnische en budgettaire aard ten grondslag hebben gelegen aan de uitzondering voor nieuwe jurisprudentie. Ook is door de regering gewezen op het belang van rechtszekerheid en de symmetrie met navordering. De Hoge Raad oordeelt in navolging van de A-G dat dit legitieme doelen zijn in het algemeen belang. Gegeven de terughoudendheid die de rechter past bij de beoordeling van politiek-bestuurlijke afwegingen, kan niet worden gezegd dat de nadelige gevolgen van de uitzondering onevenredig zijn ten opzichte van het doel. Toetsing aan de ‘fair balance’ van art. 1 EP EVRM leidt niet tot een ander resultaat. Ook is geen sprake van schending van de beginselen van behoorlijk bestuur. Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard.
Conclusie
Met het arrest van 25 juni 2026 is een einde gekomen aan een lang slepende discussie over de vraag of ook belastingplichtigen die niet (tijdig) bezwaar hebben gemaakt tegen de box 3-heffing over de jaren 2017 tot en met 2020 in aanmerking komen voor rechtsherstel door middel van een verzoek om ambtshalve vermindering. Die vraag is (opnieuw) ontkennend beantwoord door de Hoge Raad.
Bronnen: