Op 12 februari 2026 is het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 aangenomen door de Tweede Kamer. Het streven is om dit nieuwe stelsel in te voeren per 1 januari 2028. Inmiddels heeft de Minister van Financiën echter aangegeven dat aanpassingen nodig zijn.
Aanloop naar het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3
Nadat het kabinet in 2022 met de Contourennota reeds een eerste aanzet had gegeven om te komen tot een nieuwe heffingssystematiek in box 3, werd in september 2023 een volgende stap gezet met de publicatie van de consultatieversie van de Wet werkelijk rendement box 3. Ondanks een negatief advies van de Raad van State in december 2024, besloot het kabinet het wetsvoorstel toch door te zetten, zij het met enkele aanpassingen. Het wetsvoorstel is vervolgens op 12 februari 2026 aangenomen door de Tweede Kamer. Daarmee is de kritiek echter niet verstomd. Inmiddels heeft de Minister van Financiën aangegeven met aanpassingen te komen, omdat hij vreest dat het voorstel in zijn huidige vorm verworpen zal worden door de Eerste Kamer. Dit roept ook de vraag op of de nagestreefde inwerkingtredingsdatum van 1 januari 2028 nog reëel is.
Inhoud wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3
Combinatie van heffingssystemen
Het uitgangspunt van het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 is dat belasting wordt geheven op basis van het werkelijk behaalde rendement van vermogen. In zijn huidige vorm is sprake van een duale heffingssystematiek.
Hoofdregel is een heffing op basis van vermogensaanwas. Daarbij wordt jaarlijks belasting geheven over zowel reguliere inkomsten (rente, huur en dividend) als (on)gerealiseerde waardeontwikkeling van vermogensbestanddelen. Zo wordt langdurig uitstel van heffing voorkomen. Daarnaast hoeven belastingplichtigen, banken en verzekeraars in dat systeem niet langdurig gegevens bij te houden over de kostprijs van vermogensbestanddelen.
Daartegenover staat dat een vermogensaanwasbelasting kan leiden tot liquiditeitsproblemen voor belastingplichtigen, met name bij minder courante bezittingen. Om dit probleem te ondervangen, wordt de heffing over onroerende zaken en aandelen in startende ondernemingen gebaseerd op vermogenswinst, waarbij positieve en/of negatieve waardemutaties pas worden belast bij realisatie c.q. het einde van de belastingplicht in Nederland. Aanvankelijk zou deze uitzondering ook gaan gelden voor aandelen in familiebedrijven, maar vanwege mogelijke staatssteunaspecten is dit idee losgelaten. Voor reeds in bezit zijnde onroerende zaken en aandelen in startende ondernemingen wordt als beginwaarde de waarde per de inwerkingtredingsdatum als uitgangspunt genomen. Voor woningen wordt aangesloten bij de WOZ-waarde op de waardepeildatum (1 januari) in het jaar waarin de wet in werking treedt.
Intussen is het zeer de vraag of de duale systematiek doorgang gaat vinden. Reeds tijdens de parlementaire behandeling in de Tweede Kamer bleek dat er grote weerstand bestaat tegen een heffing op basis van vermogensaanwas. En na de aanvaarding van het wetsvoorstel is die kritiek alleen maar toegenomen, ook al omdat niet voorzien is in een mogelijkheid tot achterwaartse verliesverrekening. Op 25 februari 2026 heeft de Minister van Financiën aangekondigd dat het wetsvoorstel zal worden aangepast, omdat het in zijn huidige vorm mogelijk onvoldoende steun krijgt in de Eerste Kamer. Welke aanpassingen de wetgever voor ogen staan, is nog niet bekend. Daarom bespreken wij hierna de inhoud van het wetsvoorstel zoals dat nu bij de Eerste Kamer ligt.
Waarderingsregels
De vermogensaanwas- en vermogenswinstbelasting hebben gemeen dat de winstbepalingsregels tot uitgangspunt worden genomen. Dit houdt bijvoorbeeld in dat het zakelijkheidsbeginsel zijn intrede doet in box 3 en dat de heffing wordt gebaseerd op het nominale inkomen. Onzakelijke transacties worden binnen box 3 dus gecorrigeerd naar een zakelijke norm.
Bij bank- en spaartegoeden was aanvankelijk het idee om alleen de zuivere inkomsten belasten. De wetgever wilde de box 3-heffing voor deze bezittingen namelijk niet onnodig ingewikkeld maken. Uiteindelijk is er echter voor gekozen om waardeveranderingen (i.e. valutaresultaten) ook in de heffing te betrekken, omdat dit systematisch zuiverder zou zijn.
Eenzelfde eenvoudsmotief lag ten grondslag aan de wijze waarop de wetgever de eerste woning in box 3 die bestemd is voor eigen gebruik in de heffing wilde betrekken. Deze woning zou, mits de waarde ervan niet hoger is dan € 1,2 miljoen, volledig forfaitair worden belast. Maar ook dit voornemen is komen te vervallen, omdat de afwijkende behandeling diverse vragen opriep.
Heffingssystematiek
Uitgangspunt in het nieuwe box 3 stelsel is dat elke belastingplichtige zijn eigen inkomen aangeeft. Het bezit van het vermogen is daarbij doorslaggevend. Bij fiscale partners wordt het inkomen echter gezamenlijk bepaald en geldt een vrije toerekening.
Alle bezittingen en schulden die nu tot de rendementsgrondslag van box 3 behoren, blijven ook in de nieuwe systematiek onder de reikwijdte van deze heffing vallen. Bestaande vrijstellingen worden gehandhaafd, met uitzondering van die voor groene beleggingen en kortlopende termijnen van inkomsten en verplichtingen. Nieuw is een kwijtscheldingsvoordeelvrijstelling voor onvolwaardige vorderingen. De vrijstelling geldt voor zover het voordeel uitgaat boven het resultaat in het jaar zelf en verliezen uit andere jaren.
Een andere wijziging ziet op de waardering van genotsrechten. Oorspronkelijk wilde het kabinet deze rechten op nihil waarderen, met als gevolg dat de volledige koopsom voor het genotsrecht direct bij vestiging aftrekbaar zou zijn voor de genotsgerechtigde en belast bij de blooteigenaar. Uiteindelijk is ervoor gekozen om activering van de betaalde koopsom voor te schrijven, waarna de waarde van het genotsrecht lineair wordt afgebouwd gedurende de vestigingsperiode van het recht. Alleen bij de koper van de blote eigendom van een onroerende zaak of aandelen in of winstbewijzen van een startende onderneming wordt de waardeontwikkeling pas bij realisatie belast.
Voor onroerende zaken die niet worden verhuurd gaat een forfaitaire vastgoedbijtelling gelden. Deze bijtelling bedraagt 3,35% van de waarde van de onroerende zaak aan het begin van het kalenderjaar. Daarbij zijn drie categorieën te onderscheiden: 1) bij onroerende zaken die het gehele jaar of bijna het gehele jaar (minimaal 90%) worden verhuurd, zijn de reguliere huurinkomsten belast, 2) voor onroerende zaken die het gehele jaar niet verhuurd worden, wordt de forfaitaire vastgoedbijtelling in aanmerking genomen, en 3) voor onroerende zaken die een gedeelte van het kalenderjaar worden verhuurd, wordt belasting geheven over de hoogste van de huuropbrengsten of de vastgoedbijtelling.
Kosten die samenhangen met het resultaat uit bezittingen en schulden zijn in principe aftrekbaar. Als voorwaarde geldt dat deze kosten gemaakt moeten zijn ter verwerving, inning en behoud van inkomen. Tevens zijn enkele aftrekbeperkingen uit de winstsfeer overgenomen.
Nieuw is dat verliesverrekening mogelijk wordt in box 3. Negatieve resultaten uit bezittingen en schulden worden onbeperkt voorwaarts verrekenbaar. Aanvankelijk zou ook worden voorzien in een achterwaartse verliesverrekening van één jaar. Maar dat voornemen is komen te vervallen vanwege de daaraan verbonden uitvoeringslasten en de hoge budgettaire derving. Er geldt echter wel een verliesverrekeningsdrempel van € 500. Uitsluitend een box 3-verlies dat boven deze drempel uitreikt wordt in aanmerking genomen.
Ten slotte wordt het heffingsvrije vermogen in box 3 vervangen door een heffingsvrij resultaat per belastingplichtige. De omvang van dit heffingsvrije resultaat is vastgesteld op een bedrag van € 1.800 per belastingplichtige. Er geldt een vlak belastingtarief van 36%.
Informatievoorziening
De benodigde informatie voor de box 3-heffing zal ook in de nieuwe opzet grotendeels afkomstig zijn van banken en andere financiële instellingen, met name voor wat betreft banktegoeden, effecten en andere financiële producten. Desondanks zal een groter beroep moeten worden gedaan op de belastingplichtige zelf. Daarom wordt voorzien in een wettelijke administratieplicht voor box 3.
Conclusie
Met de aanvaarding van het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 door de Tweede Kamer is een belangrijke stap gezet richting een box 3-heffing op basis van werkelijk rendement. Toch blijven er vraagtekens hangen rondom de vormgeving van de box 3-heffing. De minister van Financiën heeft op 25 februari 2026 aangegeven met aanpassingen in het wetsvoorstel te komen in verband met de toenemende kritiek op de vermogensaanwassystematiek en het ontbreken van de mogelijkheid tot achterwaartse verliesverrekening.
Bron: