De Hoge Raad oordeelde op 24 december 2021 dat de wijze waarop de box 3-heffing sinds het jaar 2017 is vormgegeven in strijd is met zowel het discriminatieverbod (art. 14 EVRM) als het recht op ongestoord genot van eigendom (art. 1 EP EVRM). De wetgever bood rechtsherstel door middel van een alternatieve rendementsberekening gebaseerd op de zogenoemde forfaitaire spaarvariant.
Op 6 juni 2024 oordeelde de Hoge Raad echter dat ook dit rechtsherstel de toets der kritiek niet kan doorstaan. Met name de rendementsberekening op overige bezittingen is nog altijd discriminatoir. Er blijft een groot verschil in fiscale behandeling bestaan tussen succesvolle en minder succesvolle beleggers zonder dat daarvoor voldoende rechtvaardiging is. Dit geldt ook voor de Overbruggingswet box 3, omdat die op dezelfde uitgangspunten is gebaseerd. In reactie hierop heeft de wetgever met terugwerkende kracht een tegenbewijsregeling op basis van werkelijk rendement in box 3 geïntroduceerd.
Vervolgens is in mei 2025 het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 ingediend. Dit voorstel is op 12 februari 2026 door de Tweede Kamer aangenomen en voorziet naar verwachting per 2028 in een jaarlijkse heffing op werkelijk rendement, gebaseerd op een combinatie van een vermogenswinstbelasting (onroerende zaken en aandelen in startende ondernemingen) en een vermogensaanwasbelastingen (overige bezittingen en schulden). Uit het op 30 januari 2026 gesloten coalitieakkoord tussen D66, VVD en CDA blijkt echter dat het kabinet op termijn wil overstappen naar een volledige vermogenswinstbelasting.