A-G Koopman heeft op 26 september 2025 geconcludeerd dat het hoge Vpb-belastingrentepercentage onverbindend is, zowel vanwege overschrijding van de delegatiegrondslag als schending van de formele en materiële rechtsbeginselen.
Wanneer belastingrente?
De belastingrenteregeling komt er in grote lijnen op neer dat de inspecteur belastingrente in rekening brengt als het opleggen van een belastingaanslag met een door de belastingplichtige te betalen bedrag door toedoen van die belastingplichtige te lang op zich laat wachten. Andersom vergoedt de inspecteur belastingrente als hij er te lang over doet om een teruggaaf vast te stellen. De belastingrenteregeling is derhalve gebaseerd op de zogenoemde verzuimgedachte.
Bij aanslagbelastingen geldt als uitgangspunt dat de inspecteur binnen acht weken na indiening van een verzoek of binnen dertien weken na indiening van een aangifte een (voorlopige) aanslag met een te betalen bedrag vaststelt. Rekening houdend met een betalingstermijn van zes weken eindigt de renteberekening dan na veertien respectievelijk negentien weken, mits de (voorlopige) aanslag conform het verzoek of de aangifte wordt vastgesteld.
In de inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting begint de renteberekening echter nooit eerder dan zes maanden na afloop van het (boek)jaar. Verder wordt geen rente in rekening gebracht als de voorlopige aanslag is gebaseerd op een verzoek dat is ontvangen vóór de eerste dag van de vijfde maand na afloop van het heffingstijdvak of als binnen de reguliere termijn aangifte is gedaan. Ook hier geldt als voorwaarde dat de voorlopige aanslag conform de aangifte wordt vastgesteld.
Percentage belastingrente
Aanvankelijk werd qua rentepercentage voor alle belastingen aansluiting gezocht bij de wettelijke rente op niet-handelstransacties. Omdat de begrote budgettaire opbrengst van de regeling niet gehaald dreigde te worden, besloot de wetgever echter al in 2014 om onderscheid te maken tussen de vennootschapsbelasting en andere belastingen. Voor de vennootschapsbelasting gold voortaan de wettelijke rente op handelstransacties met een minimum van 8% en voor de andere belastingen de wettelijke rente op niet-handelstransacties met een minimum van 4%.
Gedurende de coronacrisis golden tijdelijk lagere rentpercentages, in de periode 1 juni 2020 – 30 september 2020 slechts 0,01%. Om flexibeler te kunnen inspelen op veranderende omstandigheden, werd per 1 oktober 2020 besloten om de belastingrentepercentages bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen. In de periode 1 oktober 2020 – 31 december 2021 bedroeg dit percentage voor alle belastingen 4%. Per 1 januari 2022 keerde men terug naar de oude situatie, en gold voor de vennootschapsbelasting (en inmiddels ook de bronbelasting) weer een minimumrente van 8%.
Uitspraak Rechtbank Noord-Nederland
Rechtbank Noord-Nederland heeft echter op 7 november 2024 geoordeeld dat het sinds 1 januari 2022 (opnieuw) gemaakte onderscheid in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. In tegenstelling tot wetten in formele zin mag lagere regelgeving, waaronder een algemene maatregel van bestuur, wel worden getoetst aan algemene rechtsbeginselen. De rechtbank sluit aan bij een door de Hoge Raad ontwikkeld toetsingskader. Zij stelt voorop dat de rechter terughoudend dient te zijn bij het beoordelen van de door de regelgever gemaakte belangenafweging bij invoering van de regeling. Maar de voor belastingplichtigen nadelige gevolgen van een regeling mogen niet onevenredig zijn ten opzichte van de hiermee te dienen doelen. De vraag die de rechter zich moet stellen is of de regelgever in redelijkheid tot de betrokken regeling heeft kunnen komen.
Strijd met evenredigheidsbeginsel
De rechtbank beantwoordt die vraag in de voorliggende situatie ontkennend. De argumenten om voor de vennootschapsbelasting aansluiting te zoeken bij de wettelijke rente op handelstransacties, met een minimum van 8%, zijn ronduit zwak. De stelling dat vennootschapsbelasting vergelijkbaar zou zijn met een handelsvordering, wordt resoluut terzijde geschoven. Ook de vergelijking met de verzuimrenteregeling in de Algemene wet bestuursrecht gaat mank. Verder blijft het doel van het onderscheid in rentpercentage onduidelijk. De nadelige gevolgen van het hogere rentepercentage voor vennootschapsbelastingplichtigen zijn daarentegen evident. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat het evenredigheidsbeginsel is geschonden en oordeelt dat het hoge rentepercentage dat in artikel 1, onderdeel b, Besluit belasting- en invorderingsrente (tekst 2022) onverbindend is.
Voor dat geval zijn partijen het erover eens dat de belastingrente moet worden berekend naar een percentage van 4%. De rechtbank vermindert de in rekening gebrachte rente overeenkomstig.
Conclusie A-G Koopman
Tegen de uitspraak van de rechtbank is namens de staatssecretaris van Financiën sprongcassatie ingesteld bij de Hoge Raad. In die zaak heeft Advocaat-Generaal Koopman op 26 september 2025 conclusie genomen. De A-G onderschrijft het oordeel van Rechtbank Noord-Nederland dat het hoge belastingrentepercentage onverbindend moet worden verklaard, maar gebruikt daarvoor deels andere argumenten. Zo is naar zijn mening sprake van overschrijding van de delegatiegrondslag, omdat uit jurisprudentie van de Hoge Raad volgt de belastingrenteregeling niet verder mag strekken dan tot compensatie van door de Staat geleden renteschade. Daar past geen rentepercentage van 8% bij. Voor het geval de Hoge Raad mocht oordelen dat de delegatiegrondslag niet is overschreden, is A-G Koopman van mening dat het hoge belastingrentepercentage in strijd is met zowel formele als materiële rechtsbeginselen, waaronder het motiveringsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel. Zo wijst de A-G erop dat de koppeling van het belastingrentepercentage aan de wettelijke rente op handelstransacties en het hanteren van een minimumpercentage van 8% slecht is gemotiveerd. Budgettaire motieven en gedragsbeïnvloeding zijn leidend geweest, terwijl de nadelige financiële gevolgen voor vennootschapsbelastingplichtigen niet of nauwelijks zijn meegewogen. Volgens A-G Koopman valt niet goed in te zien waarom in de vennootschapsbelasting een hoger rentepercentage gerechtvaardigd zou zijn dan bij andere heffingen. Dat leidt tot een tamelijk willekeurige verdeling van de publieke lasten, ook al omdat lang niet iedere vennootschapsbelastingplichtige in staat is om tijdig zijn belastingpositie goed in te schatten. De A-G geeft de Hoge Raad dan ook in overweging om het cassatieberoep van de staatssecretaris ongegrond te verklaren.
Zoals gezegd waren partijen het in de voorliggende zaak erover eens dat het rentepercentage moest worden verminderd naar 4% als het gelijk aan belanghebbende zou zijn. Omdat inmiddels echter de massaal bezwaarprocedure van toepassing is verklaard op deze kwestie, gaat A-G Koopman ook in op de gevolgen van een eventuele onverbindendverklaring in andere zaken. De meest vergaande consequentie zou zijn dat helemaal geen belastingrente meer in rekening kan worden gebracht. Een andere benadering is dat de rechter zelf een rentepercentage vaststelt. Hoewel aan laatstgenoemde benadering de nodige juridische haken en ogen vastzitten, heeft deze wel de voorkeur van de A-G. De A-G geeft de Hoge Raad in overweging om dan aansluiting te zoeken bij de wettelijke rente op niet-handelstransacties.
Bronnen: