Ga direct naar de inhoud

Belastingrentepercentage VPB volgens Hoge Raad onverbindend

De Hoge Raad heeft op 16 januari 2026 het sinds 1 januari 2022 geldende hoge Vpb-belastingrentepercentage onverbindend verklaard wegens strijd met het evenredigheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel. De rente moet worden berekend naar het percentage dat geldt voor andere heffingen.

Schrijf je in voor Tax nieuwsbrieven

Wanneer belastingrente?

De belastingrenteregeling komt er in grote lijnen op neer dat de inspecteur belastingrente in rekening brengt als het opleggen van een belastingaanslag met een door de belastingplichtige te betalen bedrag door toedoen van die belastingplichtige te lang op zich laat wachten. Andersom vergoedt de inspecteur belastingrente als hij er te lang over doet om een teruggaaf vast te stellen. De belastingrenteregeling is derhalve gebaseerd op de zogenoemde verzuimgedachte.  

Bij aanslagbelastingen geldt als uitgangspunt dat de inspecteur binnen acht weken na indiening van een verzoek of binnen dertien weken na indiening van een aangifte een (voorlopige) aanslag met een te betalen bedrag vaststelt. Rekening houdend met een betalingstermijn van zes weken eindigt de renteberekening dan na veertien respectievelijk negentien weken, mits de (voorlopige) aanslag conform het verzoek of de aangifte wordt vastgesteld.  

In de vennootschapsbelasting en inkomstenbelasting begint de renteberekening echter nooit eerder dan zes maanden na afloop van het (boek)jaar. Verder wordt geen rente in rekening gebracht als de voorlopige aanslag is gebaseerd op een verzoek dat is ontvangen vóór de eerste dag van de vijfde maand na afloop van het heffingstijdvak of als binnen de reguliere termijn aangifte is gedaan. Ook hier geldt als voorwaarde dat de voorlopige aanslag conform de aangifte wordt vastgesteld.

Percentage belastingrente

Aanvankelijk werd qua rentepercentage voor alle belastingen aansluiting gezocht bij de wettelijke rente op niet-handelstransacties. Omdat de begrote budgettaire opbrengst van de regeling niet gehaald dreigde te worden, besloot de wetgever echter al in 2014 om onderscheid te maken tussen de vennootschapsbelasting en andere belastingen. Voor de vennootschapsbelasting gold voortaan de wettelijke rente op handelstransacties met een minimum van 8% en voor de andere belastingen de wettelijke rente op niet-handelstransacties met een minimum van 4%.

Gedurende de coronacrisis golden tijdelijk lagere rentpercentages, in de periode 1 juni 2020 – 30 september 2020 slechts 0,01%. Om flexibeler te kunnen inspelen op veranderende omstandigheden, werd per 1 oktober 2020 besloten om de belastingrentepercentages bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen. In de periode 1 oktober 2020 – 31 december 2021 bedroeg dit percentage voor alle belastingen 4%. Per 1 januari 2022 keerde men terug naar de oude situatie, en gold voor de vennootschapsbelasting (en inmiddels ook de bronbelasting) weer een minimumrente van 8%.

Uitspraak Rechtbank Noord-Nederland

Rechtbank Noord-Nederland oordeelde echter op 7 november 2024 dat het sinds 1 januari 2022 (opnieuw) gemaakte onderscheid in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. In tegenstelling tot wetten in formele zin mag lagere regelgeving, waaronder een algemene maatregel van bestuur, wel worden getoetst aan algemene rechtsbeginselen. De rechtbank sluit aan bij een door de Hoge Raad ontwikkeld toetsingskader. Zij stelt voorop dat de rechter terughoudend dient te zijn bij het beoordelen van de door de regelgever gemaakte belangenafweging bij invoering van de regeling. Maar de voor belastingplichtigen nadelige gevolgen van een regeling mogen niet onevenredig zijn ten opzichte van de hiermee te dienen doelen. En dat is hier volgens de rechtbank wel het geval. Voor dat geval waren partijen het erover eens dat de belastingrente moet worden berekend naar een percentage van 4%. De rechtbank vermindert de in rekening gebrachte rente overeenkomstig.

Oordeel Hoge Raad

Tegen de uitspraak van de rechtbank is namens de staatssecretaris van Financiën sprongcassatie ingesteld, maar de Hoge Raad heeft dit cassatieberoep op 16 januari 2026 ongegrond verklaard. Ons hoogste rechtscollege oordeelt dat het sinds 1 januari 2022 geldende hoge rentepercentage voor de vennootschapsbelasting in strijd is met zowel het evenredigheidsbeginsel als het gelijkheidsbeginsel. In navolging van de rechtbank en de conclusie van A-G Koopman verwerpt de Hoge Raad het door de besluitgever aangedragen argument dat een nog niet geformaliseerde belastingschuld vergelijkbaar zou zijn met een handelsvordering. Ook de stelling dat belastingplichtigen het in rekening brengen van belastingrente zoveel mogelijk kunnen vermijden door tijdig aangifte te doen of te verzoeken om (herziening van) een voorlopige aanslag, wordt door de Hoge Raad terzijde geschoven. Ook als een lastenverzwaring vermijdbaar is, mag zij niet onevenredig zijn ten opzichte van de daarmee te dienen doelen. Dat geen belastingrente in rekening wordt gebracht over de eerste zes maanden na afloop van het boekjaar kan de Hoge Raad niet op andere gedachten brengen, evenmin als het feit dat voor te vergoeden belastingrente in de Vpb ook het hoge rentepercentage geldt. De slotsom is dat het sinds 1 januari 2022 geldende hoge belastingrentepercentage (artikel 1, onderdeel b, Besluit belasting- en invorderingsrente) onverbindend is. In de voorliggende zaak waren partijen het er, zoals gezegd, over eens dat de in rekening gebrachte rente dan moet worden verminderd tot 4%.

Gevolgen

In het kader van de lopende massaal bezwaarprocedure overweegt de Hoge Raad dat zijn oordeel meebrengt dat de renteberekening in de vennootschapsbelasting moet aansluiten bij het reguliere belastingrentepercentage dat voor andere heffingen geldt (artikel 1, onderdeel a, Besluit belasting- en invorderingsrente). Voor de jaren 2022 en 2023 gaat het daarbij om de wettelijke rente op niet-handelstransacties, met een minimum van 4%. Per 1 januari 2024 is de berekeningswijze veranderd en wordt aangesloten bij de ECB-basisherfinancieringsrente vermeerderd met een opslag van 3%-punt, waarbij de rente minimaal 4,5% is. Deze rentepercentages (inclusief de gehanteerde minima) zijn volgens de Hoge Raad niet in strijd met art. 1 EP EVRM of met de algemene rechtsbeginselen. Evenmin is sprake van een bestraffende sanctie. De Hoge Raad wijkt hiermee af van de conclusie van A-G Koopman, die had geadviseerd om de minimumrentepercentages te negeren en aan te sluiten bij de wettelijke rente op niet-handelstransacties.

Massaal bezwaar

Nu de Hoge Raad de rechtsvragen in de lopende massaal bezwaarprocedures heeft beantwoord, zal de belastingdienst naar verwachting binnen zes weken collectief uitspraak op bezwaar doen. Daarna krijgt de inspecteur zes maanden de tijd om de in rekening gebrachte belastingrente op (voorlopige) aanslagen vennootschapsbelasting te verminderen, mits tijdig rechtsmiddelen zijn aangewend tegen de in rekening gebrachte rente. Belastingrente op heffingen waarvoor het reguliere rentepercentage geldt komt niet voor vermindering in aanmerking.

Bronnen:

  • Rechtbank Noord-Nederland 7 november 2024, 23/5244, ECLI:NL:RBNNE:2024:1422
  • Conclusie A-G 26 september 2025, 24/04619, ECLI:NL:PHR:2025:1044
  • Hoge Raad 16 januari 2026, 24/04619, ECLI:NL:HR:2026:59

Did you find this useful?

Thanks for your feedback