Ga direct naar de inhoud

Toepassing van de cost plus methode

De Coördinatiegroep Verrekenprijzen van de Belastingdienst heeft in mei 2025 een praktische leidraad gepubliceerd over de toepassing van de cost plus methode (‘CPM’), en dan met name over wat er in de kostengrondslag moet worden opgenomen. De CPM is in veel gevallen de juiste verrekenprijsmethode voor de levering van producten of diensten binnen de groep. In de praktijk wordt meestal de netto cost plus methode (‘NCPM’) gebruikt, omdat het vaak moeilijker is een vergelijking op brutowinstniveau te maken vanwege een gebrek aan betrouwbare informatie over onder andere de kosten van grondstoffen. Een belangrijk aandachtspunt hierbij is de vraag of grondstoffen in de kostengrondslag moeten worden opgenomen.

Register for tax newsletters

Toepassing van cost plus methodes

Zowel de CPM als de NCPM zijn geschikte methodes wanneer de dienst of het product intern binnen de groep wordt geleverd en dus niet aan externe derden wordt verkocht. Voorbeelden hiervan zijn routinematige, weinig complexe functies binnen de groep, waarbij de kosten een betrouwbare indicator van de waarde vormen en de toegevoegde waarde van de getoetste partij laag is. Daarom zijn ook de risico’s die een dergelijke entiteit draagt laag.

(Bruto) CPM versus NCPM – kostengrondslag

Er kunnen drie belangrijke typen kosten worden onderscheiden:

  • Directe productiekosten, zoals grondstoffen;
  • Indirecte productiekosten, zoals onderhoud van apparatuur;
  • Operationele kosten, zoals overhead.

Bij gebruik van de CPM bestaat de kostengrondslag zowel uit directe als indirecte productiekosten. Dat is anders dan bij gebruik van de NCPM, waarbij in de kostengrondslag ook bedrijfskosten zijn inbegrepen die niet op betrouwbare wijze aan een specifieke transactie kunnen worden toegerekend. Dit wordt hieronder toegelicht via een vereenvoudigde W&V-rekening:

Omzet

 

100

 

           

Inkoopwaarde van de omzet (IWO)

80

 

-/-

         

Brutowinst (BW)

 

20

 

 

(Bruto) CPM = BW/IWO = 20/80 = 25%

 

Operationele kosten (OK)

10

 

-/-

         

Nettowinst (NW)

 

10

 

 

NCPM = NW/(IWO+OK) = 10/(80+10) = 11,11%

Financierings-/buitengewone kosten

5

 

-/-

         

Winst vóór belastingen (WvB)

5

 

           

 

In de nieuwe leidraad worden drie specifieke onderwerpen nader uitgewerkt:

A)    grondstoffen

B)    begroting versus werkelijke kosten

C)    de juiste opslag die dient te worden toegepast.


A)    Grondstoffen

De leidraad verduidelijkt welke factoren mogelijk aantonen dat de producent zeggenschap heeft over bepaalde functies, activa en risico’s. Indien dit zo is, moeten de kosten van grondstoffen in de kostengrondslag worden opgenomen. Voorbeelden hiervan zijn het omzetten van grondstoffen in een eindproduct; een relatief hoge toegevoegde waarde in het productieproces; beslissingsbevoegdheid met betrekking tot het R&D-proces; of het risico van veroudering. Contractuele afspraken vormen altijd het uitgangspunt voor een dergelijke analyse, maar het daadwerkelijke gedrag van partijen met betrekking tot de functies en risico’s is bepalend voor het al dan niet opnemen van de directe productiekosten in de kostengrondslag.

Andere nuttige aanwijzingen om te bepalen of de producent actief betrokken is bij activiteiten met betrekking tot de grondstoffen zijn onder andere:

  • deelname aan prijsonderhandelingen;
  • het vaststellen van specificaties en volumes;
  • het afdekken van prijs- en valutarisico’s; en
  • kwaliteitscontrole.

Publicatie van deze concrete, praktische aanwijzingen stellen ondernemingen beter in staat te onderbouwen en verdedigen of deze kosten inderdaad in de kostengrondslag thuishoren of niet.


B)    Begrote versus werkelijke kosten

Zakelijke afspraken zijn doorgaans gebaseerd op begrote of standaardkosten. Er worden nuttige en bruikbare aanwijzingen gegeven over de factoren waarmee rekening moet worden gehouden bij het bepalen van de juiste kostengrondslag.

Efficiëntie / capaciteit / prijsresultaten

  • Bij een contract manufacturing (CM)-opzet, bijvoorbeeld, is het normaal gesproken de contract manufacturer die verantwoordelijk is voor beheersbare inefficiënties, zoals slecht onderhoud of een hoog personeelsverloop.
  • Of capaciteitsrisico’s of prijsschommelingen al dan niet moeten worden opgenomen in de kostengrondslag van de CM hangt sterk af van de afspraken met de opdrachtgever en de activiteiten die beide partijen uitvoeren met betrekking tot de producten of grondstoffen.
  • Indien de begrote kosten niet op betrouwbare wijze kunnen worden bepaald, kunnen de werkelijke kosten worden gebruikt om tot een benadering te komen. Houd er rekening mee dat in dit geval alle efficiëntie-, capaciteits- en prijsrisico’s door de opdrachtgever worden gedragen.

Specificatie van kosten

  • Indien meerdere producten of diensten worden geleverd, met name aan meerdere partijen, is het aan te raden om te specificeren welke kosten betrekking hebben op welk product of welke dienst. Dit stemt overeen met de meest recente leidraad van de Belastingdienst, die steeds meer overgaat op een verrekenprijsbenadering per transactie.

Financieringskosten en vervangingskosten

  • In vergelijkbaarheidsanalyses kan men niet zomaar voorbijgaan aan de wijze waarop de onderneming wordt gefinancierd (vreemd vermogen versus eigen vermogen). In situaties met derden wordt de cost plus marge immers zodanig bepaald dat ook de financieringskosten moeten worden terugverdiend.
  • Hetzelfde geldt voor vervangingskosten. Indien deze op betrouwbare wijze kunnen worden bepaald, moeten ze in de vergelijkbaarheidsanalyse in aanmerking worden genomen, aangezien ze ook een aanzienlijke invloed zouden hebben op de kostengrondslag van vergelijkbare derde partijen.

Doorberekende kosten

  • Kosten die in eerste instantie door de contractpartij worden betaald, maar die betrekking hebben op diensten die door externe partijen worden geleverd (bijvoorbeeld licentiekosten voor software van derden), kunnen worden doorberekend, maar mogen niet worden verhoogd met een cost plus opslag.

Volledige kosten versus marginale kosten

  • Wees voorzichtig met marginale kostprijzen die lager zijn dan de volledige kostprijs inclusief indirecte kosten. Deze lagere prijs heeft vaak een specifieke reden (bijvoorbeeld als onderdeel van een strategie voor marktpenetratie), waardoor deze doorgaans niet vergelijkbaar is met meer standaard situaties.


C)       De opslag zelf

  • Zoals hierboven aangegeven, moet bij het analyseren van de vergelijkbaarheid (bijvoorbeeld aan de hand van een databankonderzoek) rekening worden gehouden met verschillen in kostengrondslag (zijn de grondstoffen al dan niet opgenomen in de grondslag van de vergelijkbare ondernemingen?). Hetzelfde geldt voor de impact van financieringskosten.
  • Wanneer dergelijke verschillen worden vastgesteld, kunnen deze ondernemingen zonder passende aanpassingen niet op betrouwbare wijze als vergelijkbare ondernemingen worden gebruikt. Er moet worden aangetoond dat deze extra analyse is uitgevoerd, omdat deze van invloed kan zijn op de toe te passen opslag.
  • Voor sommige diensten met beperkte toegevoegde waarde (de zogenoemde ‘low value-adding intra-group services’) kan het safe harbour-tarief van 5% worden toegepast, maar alleen in het geval van zeer routinematige activiteiten (activiteiten zoals kernactiviteiten, R&D en productie zijn standaard uitgesloten van deze safe harbour-categorie).

Wat betekent dit voor ondernemingen? Dringende actiepunten

  • Te veel ondernemingen besteden veel tijd aan het onderbouwen van de kostenopslag, maar te weinig aandacht aan het toelichten van hun kostengrondslag, terwijl de impact van de juiste kostengrondslag vaak veel groter is.
  • Voer een nadere analyse uit van alle relevante kosten, per transactie.
  • Het vooraf uitsluiten van posten als financieringskosten of vervangingskosten is niet wenselijk. Het gevolg hiervan is dat hiervoor uitgebreidere vergelijkbaarheidsanalyses/benchmarkstudies nodig zijn, waarin u moet aantonen dat deze stappen in overweging zijn genomen.
  • Er is een nadere functionele analyse nodig om te onderbouwen of de grondstofkosten al dan niet in de kostengrondslag moeten worden opgenomen, en wie de eventuele negatieve financiële impact van inefficiënties, capaciteits- en prijsrisico's draagt.
  • Houd er rekening mee dat prijstoetsing niet hetzelfde is als prijsbepaling. Prijstoetsing wordt gebruikt om uw verrekenprijzen achteraf te verdedigen (voor nalevingsdoeleinden), terwijl het doel van prijsbepaling is om vooraf de juiste prijzen vast te stellen (voor budgettering en operationele transfer pricing).

Neem contact met ons op

Neem contact met ons op als u vragen heeft over hoe u deze praktische leidraad kunt integreren in uw bestaande operationele transfer pricing- en complianceprocessen. Ons team van specialisten staat klaar om u te helpen.

Did you find this useful?

Thanks for your feedback

Our thinking