Ga direct naar de inhoud

Splitsingsvrijstelling overdrachtsbelasting ook van toepassing op aandelenverkrijging in OZR

De Hoge Raad heeft bevestigd dat de splitsingsvrijstelling van de overdrachtsbelasting bij een juridische splitsing ruim moet worden uitgelegd. De splitsingsvrijstelling (oud regime) is niet beperkt tot de overgang van vermogen op het niveau van de verkrijgende vennootschap. De daarmee samenhangende aandelenverkrijging in een onroerendezaakrechtspersoon kan ook onder de vrijstelling vallen.

Schrijf je in voor Tax nieuwsbrieven

Casus

In onderhavig geval hield belanghebbende een belang van 50 procent in een vennootschap (hierna: de splitsende vennootschap) die over onroerende zaken in Nederland en Duitsland beschikte. In 2020 vond een juridische splitsing plaats waarbij de splitsende vennootschap ophield te bestaan en haar vermogen onder algemene titel overging op twee nieuw opgerichte vennootschappen. Als gevolg van die splitsing werd belanghebbende enig aandeelhouder van één van deze nieuw opgerichte vennootschappen (hierna: de BV), waarin de onroerende zaken waren ondergebracht. Het onderbrengen van de onroerende zaken leidde ertoe dat de BV kwalificeerde als een onroerendezaakrechtspersoon. De verkrijging door de BV van de Nederlandse onroerende zaken was vrijgesteld onder de splitsingsvrijstelling van artikel 15, eerste lid, onderdeel h, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (hierna: Wet BRV). Voor het Hof was in geschil of de splitsingsvrijstelling zich ook uitstrekte tot de verkrijging van de aandelen door belanghebbende in de BV.

Oordeel Hof

Het Hof overwoog dat de wetgever geen rekening had gehouden met de situatie waarin een bij splitsing ontstane vennootschap kwalificeert als een onroerendezaakrechtspersoon. Het Hof stelt dat noch de wettekst noch het Uitvoeringsbesluit belastingen van rechtsverkeer aanknopingspunten biedt om de splitsingsvrijstelling buiten toepassing te laten op de verkrijging van de aandelen. Voorts oordeelde het Hof dat de bewoordingen en strekking van de wet onvoldoende grond boden om tot een andere conclusie te komen. Tegen dit oordeel heeft de staatssecretaris cassatie ingesteld, stellende dat het Hof de vrijstelling te ruim had toegepast.

Oordeel Hoge Raad

De Hoge Raad bevestigt echter het oordeel van het Hof. De Hoge Raad benadrukt dat artikel 15, eerste lid, onderdeel h, Wet BRV in algemene bewoordingen voorziet in een vrijstelling voor verkrijgingen bij splitsing. De uitgifte en daarmee samenhangende verkrijging van aandelen vormt een inherent onderdeel van een juridische splitsing en moet derhalve als een verkrijging bij splitsing in de zin van deze vrijstelling worden aangemerkt.

Verder overweegt de Hoge Raad dat deze uitleg aansluit bij doel en strekking van de regeling. Uit de parlementaire behandeling blijkt namelijk dat de vrijstelling is bedoeld om juridische splitsingen die worden ingegeven door bedrijfseconomische overwegingen niet te belemmeren door de fiscaliteit. Daarbij heeft de wetgever de positie van aandeelhouders willen betrekken, zodat de heffing van overdrachtsbelasting bij hen achterwege kan blijven indien aan de splitsing overwegend zakelijke motieven ten grondslag liggen. De Hoge Raad ziet geen aanwijzingen dat de wetgever een uitzondering heeft willen maken voor aandelen in een onroerendezaakrechtspersoon. De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep van de staatssecretaris daarom ongegrond.

De procedure ziet overigens op het oude regime van de splitsingsvrijstelling. Dit roept de vraag op of dit gevolgen kan hebben voor het nieuwe regime.

Bron:

  • Hoge Raad 27 maart 2026, 25/02194, ECLI:NL:HR:2026:494

Did you find this useful?

Thanks for your feedback