Ga direct naar de inhoud

Geen toepassing familievrijstelling bij verkrijging van onroerend goed via besloten vennootschap

De Hoge Raad oordeelt dat de familievrijstelling in de overdrachtsbelasting niet van toepassing is bij verkrijging van onroerende zaken door een besloten vennootschap. De doorkijkarresten bieden geen uitkomst, aangezien deze alleen zien op het verkregen object en niet op de identiteit van de betrokken partijen.

Casus

In onderhavig geval hield een natuurlijk persoon (hierna: vader) tot 1 april 2014 middellijk alle aandelen in een besloten vennootschap (B BV) die twee hotels exploiteerde en eigenaar was van de hotelpanden. Op die datum heeft X BV (hierna: belanghebbende) de hotelonderneming overgenomen, met uitzondering van de hotelpanden. De aandelen in belanghebbende waren gecertificeerd, waarbij de certificaten middellijk voor 10 procent werden gehouden door vader en (eveneens middellijk) voor ieder 45 procent door zijn twee zonen. In 2019 is dit belang herverdeeld en heeft belanghebbende alle aandelen verkregen in B BV, die op dat moment kwalificeerde als een onroerendezaakrechtspersoon.

In geschil is of deze verkrijging kwalificeert voor de familievrijstelling van artikel 15, eerste lid, onderdeel b van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (hierna: Wet BRV). Belanghebbende stelt dat materieel sprake is van een overdracht binnen de familiesfeer van vader aan zijn kinderen. De inspecteur heeft toepassing van de vrijstelling geweigerd en een naheffingsaanslag opgelegd, omdat geen sprake is van een rechtstreekse verkrijging van aandelen van een ouder door diens kinderen.  

Oordeel Hof

Hof Den Bosch heeft geoordeeld dat de vrijstelling in dit geval niet van toepassing is, omdat niet is voldaan aan het wettelijke vereiste dat sprake is van een verkrijging door kinderen van een ondernemer. Het Hof acht daarbij van belang dat de aandelen in de onroerendezaakrechtspersoon zijn verkregen door belanghebbende en niet door de zonen, en dat vervreemding niet heeft plaatsgevonden door vader, maar door een tussenliggende besloten vennootschap.

Het beroep van belanghebbende op de doorkijkarresten wordt door het Hof verworpen. Volgens het Hof bieden deze arresten geen grond om de betrokken rechtspersonen buiten beschouwing te laten, zodat de juridische structuur bepalend blijft voor de toepassing van de vrijstelling. Tegen dit oordeel heeft de belanghebbende cassatie ingesteld.

Geen doorwerking doorkijkarresten

De Hoge Raad stelt voorop dat uit de tekst en strekking van artikel 15, eerste lid, onderdeel b, Wet BRV blijkt dat de familievrijstelling is bedoeld voor overdrachten door een ondernemer aan zijn (klein)kinderen en hun echtgenoten. De familievrijstelling ziet dus op transacties tussen natuurlijke personen. In een geval waarin de verkrijging plaatsvindt door een besloten vennootschap, is aan deze voorwaarde niet voldaan.

Volgens de Hoge Raad slaagt het beroep op de doorkijkarresten niet. Ook bij een rechtstreekse verkrijging van de onroerende zaken door belanghebbende van B BV zou niet zijn voldaan aan de voorwaarden van de vrijstelling, zodat de doorkijkarresten niet alsnog tot toepassing van de vrijstelling kunnen leiden. De doorkijkarresten bieden geen grond om voorbij te gaan aan de identiteit van de vervreemder en de verkrijger, maar zien alleen op het verkregen object.

De Hoge Raad benadrukt voorts dat de Wet BRV in beginsel aanknoopt bij de civielrechtelijke vormgeving van rechtshandelingen. Voor fiscale transparantie van rechtspersonen is slechts plaats indien en voor zover de wetgever daarin voorziet en de voorwaarden daarvoor bepaalt. Daarmee bevestigt de Hoge Raad dat de doorkijkbenadering niet in algemene zin kan worden toegepast. De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond. De naheffingsaanslag overdrachtsbelasting blijft in stand.

Bron:

  • Hoge Raad 10 april 2026, 25/00045, ECLI:NL:HR:2026:568

Did you find this useful?

Thanks for your feedback