This site uses cookies to provide you with a more responsive and personalised service. By using this site you agree to our use of cookies. Please read our cookie notice for more information on the cookies we use and how to delete or block them

Bookmark E-mailadres Print deze pagina

KMO - Kapitaalverhoging en uitsluiting van een aandeelhouder

Auteur: Joachim Colot, Tax & Legal Services

Kan de onmogelijkheid (of de weigering) van een aandeelhouder om een kapitaalverhoging te onderschrijven of goed te keuren een gegronde reden voor uitsluiting zijn in de zin van artikel 636 van het Wetboek van vennoot-schappen?

Laten we er vooreerst aan herinneren dat de uitsluiting van een aandeelhouder een laatste maatregel is die pas wordt genomen wanneer geen andere minder radicale oplossing kan worden gevonden.

Elke beslissing tot uitsluiting op basis van artikel 636 van het Wetboek van vennootschappen wordt beoordeeld in het licht van de concrete omstandigheden.

Voor het specifieke geval van de kapitaalverhoging moeten twee hypothesen worden onderscheiden:

  • de hypothese dat een aandeelhouder een kapitaalverhoging weigert;
  • de hypothese dat een aandeelhouder weigert om een inbreng in de vennootschap te doen om een kapitaal-verhoging door te voeren (weigering om in te schrijven op een kapitaalverhoging).

Weigering van een minderheidsaandeelhouder om een kapitaalverhoging goed te keuren

Overeenkomstig artikel 558 van het Wetboek van vennootschappen moet een kapitaalverhoging worden goedgekeurd door drie vierden van de stemmen.

Wat bij weigering van een minderheidsaandeelhouder (die 25% + één aandeel bezit)?

In bepaalde gevallen kan deze weigering worden beschouwd als een ’misbruik van minderheid’, die een gegronde reden vormt in de zin van artikel 636 van het Wetboek van vennootschappen.

De op deze weigering gebaseerde uitsluiting is evenwel niet automatisch en zal afhangen van de concrete omstandigheden.

Rechtspraak:

  • In de rechtspraak werd geoordeeld dat een minderheidsaandeelhouder die, om louter zelfzuchtige redenen, weigert een kapitaalverhoging goed te keuren waaraan de vennootschap dringend behoefte heeft, indruist tegen het belang van de vennootschap en daarom kan worden uitgesloten (Voorz. Kh. Brussel, 30 mei 1997, rev. prat. Soc, 1999, p. 170).
  • De uitsluitingsprocedure kan een gepaste reactie zijn in het geval van de blokkering van een beslissing tot kapitaalverhoging indien deze van vitaal belang is voor de vennootschap, of wanneer deze de enige uitweg is voor het overleven van de vennootschap (Voorz. Kh. Marche, 17 april 2000, R.D.C., 2001, p. 758).
    In deze zaak heeft de Voorzitter het subsidiaire karakter van de procedure onderstreept. Hij oordeelde dat zelfs indien de weigering van de verweerder om deel te nemen aan de kapitaalverhoging getuigt van een afwezigheid van affectio societatis in zijn hoofde, deze omstandigheid op zich onvoldoende zou zijn voor uitsluiting, zelfs wanneer deze kon vaststellen dat de voortzetting van de vennootschapsactiviteiten slechts mogelijk zou zijn na een snelle herkapitalisering.
  • De houding van een minderheidsaandeelhouder, gekenmerkt door de weigering om te stemmen voor een kapitaalverhoging waarvan de wenselijkheid en de noodzaak niet zijn aangetoond, mag niet worden gelijkgesteld met de houding van systematische en opzettelijke tegenwerking van de vennootschap die de overleving ervan in het gedrang brengt. Een dergelijke houding is niet onrechtmatig en vormt geen gegronde reden (Voorz. Kh. Brussel, 12 december 1996, rev. rég. dr., 1997, p. 308).
  • Tevens is geoordeeld dat het totale gebrek aan belangstelling vanwege één van de vennoten voor het beheer van de vennootschap, in combinatie met de weigering om zijn aandelen te verkopen aan de andere vennoot, een gegronde reden vormt.

De weigering om een kapitaalverhoging goed te keuren kan, meer fundamenteel, de uiting zijn van een ernstig gebrek aan verstandhouding tussen de aandeelhouders dat bij uitstek wordt ingeroepen als gegronde reden tot uitsluiting. De rechtspraak herinnert er evenwel aan dat de uitsluitingsprocedure “geen procedure is waarmee een lastige vennoot die zijn rechten verdedigt kan worden geëlimineerd, zelfs niet wanneer de andere vennoot het gevoel heeft dat de zich voorgedane incidenten het onmogelijk maken om deze vennootschap nog verder te ondersteunen” (vert.).

Er moet inderdaad sprake zijn van een ernstig gebrek aan verstandhouding tussen de aandeelhouders, dat elke onderlinge samenwerking definitief onmogelijk maakt, dat de werking van de organen van de vennootschap blokkeert, of dat ten minste een zodanig ernstig conflict vormt dat de verwezenlijking van het doel van de vennootschap onmogelijk maakt.

Weigering van een aandeelhouder om over te gaan tot een kapitaalverhoging

De weigering van een bestaande aandeelhouder om een inbreng in de vennootschap te doen met het oog op de verhoging van haar kapitaal, kan niet worden beschouwd als een gegronde reden.

Dat een aandeelhouder het kapitaal dat hij heeft ingebracht, heeft vrijgemaakt, geeft de overige aandeel-houders immers niet het recht om hem te dwingen in te schrijven op een nieuwe kapitaalverhoging.
Anders is het in de hypothese dat een aandeelhouder weigert om het kapitaal te storten waarop hij heeft ingeschreven.


Gepubliceerd op 08/05/2013.

Material on this website is © 2014 Deloitte Global Services Limited, or a member firm of Deloitte Touche Tohmatsu Limited, or one of their affiliates. See Legal for copyright and other legal information.

Deloitte refers to one or more of Deloitte Touche Tohmatsu Limited, a UK private company limited by guarantee, and its network of member firms, each of which is a legally separate and independent entity. Please see www.deloitte.com/about for a detailed description of the legal structure of Deloitte Touche Tohmatsu Limited and its member firms.

Get connected

 

More on Deloitte
Learn about our site