Ga direct naar de inhoud

Wijziging onderlinge verdeling gemeenschappelijke inkomensbestanddelen mogelijk bij navordering

De Hoge Raad bevestigt dat de onderlinge verdeling van een gemeenschappelijk inkomensbestanddeel kan worden herzien bij navordering, ook wanneer deze post reeds in een onherroepelijk vaststaande aanslag is begrepen.

Verdeling gemeenschappelijke inkomens- en vermogensbestanddelen

Fiscale partners mogen gezamenlijke inkomensbestanddelen, zoals de belastbare inkomsten uit eigen woning en het inkomen uit aanmerkelijk belang, en de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen vrij verdelen. Voor zover geen onderlinge verdeling is gekozen worden deze inkomsten en vermogensbestanddelen geacht bij elk van hen voor de helft op te komen.

Wijziging van de gekozen verdeling is mogelijk totdat de aanslag inkomstenbelasting van beide fiscale partners onherroepelijk vaststaat. Hieronder wordt ook begrepen navorderingsaanslag, conserverende aanslag of conserverende navorderingsaanslag. Daarop bestaat echter een uitzondering als de aanslag van een partner onherroepelijk komt vast te staan naar aanleiding van een arrest van de Hoge Raad. In dat geval staat de wet toe dat de onderlinge verdeling tot zes weken na die uitspraak kan worden aangepast. De gedachte hierachter is dat fiscale partners pas na die onherroepelijke uitspraak volledig zicht hebben op de cijfermatige uitwerking van de gekozen verdeling. Op 27 maart 2026 oordeelde de Hoge Raad dat deze uitzondering ook geldt voor situaties van massaal bezwaar.

Wijziging van de onderlinge verdeling is volgens een op 12 juni 2026 gewezen arrest echter niet mogelijk wanneer de aanslag over een jaar wordt verminderd als gevolg van achterwaartse verliesverrekening. De aanslagen over het jaar waarmee verrekening plaatsvindt wordt staan immers onherroepelijk vast.  

Wijziging van de onderlinge verdeling bij navordering

In de onderhavige procedure is aan de Hoge Raad de vraag voorgelegd of wijziging van de onderlinge verdeling mogelijk is bij navordering, specifiek in de situatie waarin het gemeenschappelijke inkomensbestanddeel reeds is begrepen in een onherroepelijk vaststaande aanslag. Het betrof de situatie waarin fiscale partners als gevolg van navordering minder recht hadden op hypotheekrenteaftrek, en zij daardoor de eerder gekozen verdeling van het negatieve saldo inkomen uit eigen woning wensten te wijzigen.

Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelde dat dit op basis van de wettekst (art. 2.17 Wet IB 2001) is toegestaan zolang de navorderingsaanslag niet onherroepelijk vaststaat. De staatssecretaris was echter een andere mening toegedaan. In cassatie beriep hij zich op de wetsgeschiedenis, waaruit zou volgen dat de wetgever partners de mogelijkheid wilde bieden om ook bij navordering alsnog een onderlinge verhouding te kiezen, mits de verdeelbare post bij de navordering voor het eerst in aanmerking werd genomen. Deze wetshistorie had echter betrekking op de wettekst zoals deze luidde vóór 2009.

Advocaat-Generaal Koopman concludeerde na een analyse van de wettekst, wetshistorie, wetssystematiek en doel en strekking dat wijziging van de onderlinge verhouding bij navordering in alle gevallen mogelijk moet zijn zolang de navorderingsaanslag niet onherroepelijk vaststaat. Daarbij hecht de A-G bijzondere waarde aan het legaliteitsbeginsel van artikel 104 Grondwet. De wettekst is op dit punt namelijk duidelijk, in tegenstelling tot de wetshistorie. De Hoge Raad bevestigt, onder verwijzing naar de conclusie van de AG, het oordeel van het Hof dat de verdeling van gezamenlijke inkomensbestanddelen bij navordering mag worden gewijzigd, ook als het gaat om een inkomensbestanddeel dat reeds was betrokken in een onherroepelijk vaststaande aanslag.

De Staatssecretaris kaartte nog een praktisch gevolg aan: belastingplichtigen zouden via een aangepaste aangifte een navorderingsaanslag kunnen uitlokken en op die manier de volledige verdeling van gezamenlijke posten herzien. Langs die weg zou dan mogelijk alsnog gebruik kunnen worden gemaakt van het rechtsherstel in box 3 voor aanslagen die ten tijde van het Kerstarrest al onherroepelijk vaststonden. De Hoge Raad vindt dit echter geen reden om de wet anders uit te leggen. Zulke gevolgen treden bovendien alleen op als uit de gewijzigde aangifte volgt dat er ook met inachtneming van het vereiste rechtsherstel in box 3 te weinig inkomstenbelasting is betaald. Pas dan kan immers worden nagevorderd.

Bron:

  • HR 17 juli 2026, 24/01208, ECLI:NL:HR:2026:1288

Did you find this useful?

Thanks for your feedback