Ga direct naar de inhoud

Hof van Justitie beperkt heffing van Portugese overdrachtsbelasting bij kapitaalherstructurering

Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft geoordeeld dat een lidstaat geen indirecte belasting mag heffen over een herstructurering waarbij een kapitaalvennootschap wordt opgericht en haar kapitaal volledig wordt volgestort door de inbreng van deelnemingen in vastgoedvennootschappen.

Praktische impact

Dit arrest lijkt heffing van Nederlandse overdrachtsbelasting in geval van herstructureringen waarbij aandelen in een vastgoedvennootschap worden ingebracht in een kapitaalvennootschap te verbieden. Uit het arrest volgt namelijk dat heffing van overdrachtsbelasting in strijd kan zijn met Richtlijn 2008/7/EG betreffende indirecte belastingen op het bijeenbrengen van kapitaal (hierna: Richtlijn 2008/7/EG), indien de betrokken verrichting kwalificeert als een herstructurering in de zin van artikel 4 van die richtlijn.

Dat lijkt in ieder geval relevant voor situaties waarin aandelen in een vastgoedvennootschap worden ingebracht ter volstorting van aandelen in een andere kapitaalvennootschap. In dat geval kan sprake zijn van een aandelenruil of kapitaalherstructurering die onder het beschermingsbereik van de richtlijn valt. Een nationale regeling die een dergelijke aandeleninbreng voor de heffing van overdrachtsbelasting gelijkstelt met een verkrijging van de onderliggende onroerende zaken, lijkt dan niet zonder meer verenigbaar met het EU-recht. Maar ook voor andere vormen van (her)structurering is dit niet uitgesloten.

Voor dergelijke herstructureringen gelden in Nederland onder voorwaarden specifieke vrijstellingen van heffing van overdrachtsbelasting. Deze vrijstellingen zijn echter aan gedetailleerde voorwaarden onderworpen. In hoeverre deze voorwaarden zijn toegestaan, is met dit arrest ter discussie komen te staan. Dit arrest roept de vraag op of deze voorwaarden onverkort kunnen worden tegengeworpen wanneer de verrichting kwalificeert als een herstructurering in de zin van artikel 4 van Richtlijn 2008/7/EG. In dat geval kan namelijk worden betoogd dat het Unierecht niet slechts een vrijstelling voorschrijft, maar zich verzet tegen de heffing zelf. Het is de vraag of het Ministerie van Financiën aanleiding ziet om de bestaande vrijstellingen en beleidsbesluiten naar aanleiding van dit arrest aan te passen.

Indien u voornemens bent een dergelijke herstructurering te doen, raden wij aan de gevolgen in kaart te brengen. Voor recente herstructureringen raden wij aan te verifiëren wat de impact van dit arrest is en of bezwaar en/of beroep mogelijk is.

Casus

Nova Iberomoldes is een Portugese naamloze vennootschap die is opgericht met het oog op het houden en beheren van deelnemingen. Haar maatschappelijk kapitaal is volledig volgestort door middel van een inbreng in natura. Daarbij bracht haar enig aandeelhouder deelnemingen in verschillende vennootschappen in. Een van deze vennootschappen hield twee onroerende zaken.

De Portugese belastingdienst stelde zich op het standpunt dat de inbreng onderworpen was aan Portugese overdrachtsbelasting, de zogenoemde IMT. Op grond van de Portugese regeling wordt de verkrijging van een aandelenbelang van ten minste 75% in een vennootschap die onroerende zaken bezit, onder omstandigheden gelijkgesteld met een overdracht van onroerende zaken. De belasting werd berekend aan de hand van de fiscale referentiewaarde van de onroerende zaken, dan wel de hogere boekwaarde volgens de balans.

Nova Iberomoldes betoogde dat deze heffing in strijd was met Richtlijn 2008/7/EG. Volgens haar was sprake van een kapitaalinbreng, dan wel een herstructurering, waarover lidstaten geen indirecte belasting mogen heffen.

De Portugese rechter stelde prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ EU) over de uitleg van Richtlijn 2008/7/EG. Deze vragen zagen met name op de kwalificatie van de IMT als indirecte belasting op het bijeenbrengen van kapitaal, de vraag of de inbreng moest worden aangemerkt als kapitaalinbreng of als herstructurering en of de richtlijn ruimte laat voor een heffing die naar nationaal recht wordt vormgegeven als overdrachtsbelasting op onderliggende onroerende zaken.

Oordeel Hof van Justitie EU

Het HvJ EU stelt voorop dat de oprichting van Nova Iberomoldes en de volstorting van haar kapitaal door middel van de inbreng van deelnemingen binnen de werkingssfeer van Richtlijn 2008/7/EG vallen. Omdat Nova Iberomoldes bij haar oprichting deelnemingen verkreeg die een meerderheid van de stemrechten in andere kapitaalvennootschappen vertegenwoordigden, en de vergoeding bestond uit aandelen in Nova Iberomoldes, kwalificeert de verrichting als een herstructurering in de zin van de richtlijn.

Voor dergelijke herstructureringen geldt dat lidstaten geen indirecte belasting mogen heffen. Volgens het HvJ EU moet dit verbod ruim worden uitgelegd, omdat de richtlijn beoogt fiscale belemmeringen bij het bijeenbrengen van kapitaal en bij herstructureringen weg te nemen. Een lidstaat kan deze bescherming niet omzeilen door een aandeleninbreng voor nationale belastingdoeleinden gelijk te stellen met een overdracht van onroerende zaken.

Het HvJ EU oordeelt vervolgens dat de Portugese IMT-heffing kwalificeert als een indirecte belasting. De heffing wordt namelijk verschuldigd naar aanleiding van de verkrijging van aandelen in een vennootschap die onroerende zaken bezit. Dat de heffingsgrondslag wordt bepaald aan de hand van de waarde van die onderliggende onroerende zaken, doet daaraan niet af. Doorslaggevend voor toepassing van de richtlijn is dat de heffing verband houdt met een verrichting die onder het beschermingsbereik van de richtlijn valt.

Ook de uitzonderingen op het heffingsverbod bieden volgens het HvJ EU geen ruimte voor de Portugese heffing. De inbreng van deelnemingen kan niet worden aangemerkt als een zelfstandige overdracht van effecten die losstaat van de herstructurering. Evenmin is sprake van een overdracht van onroerende zaken, omdat de juridische eigendom van de onroerende zaken bij de vastgoedvennootschap bleef. Ook was geen sprake van een vergoeding anders dan in aandelen.

Tot slot verwerpt het HvJ EU het standpunt dat de heffing kan worden gerechtvaardigd ter voorkoming van belastingfraude of belastingontwijking. Een algemene heffing die zonder concrete aanwijzingen van misbruik wordt toegepast op een aandeleninbreng in het kader van een herstructurering, gaat verder dan noodzakelijk is. De richtlijn verzet zich daarom tegen de Portugese IMT-heffing in een geval als dit.

Bron:

  • Hof van Justitie van de Europese Unie, 4 juni 2026, C-837/24, ECLI:EU:C:2026:445

Did you find this useful?

Thanks for your feedback