Het Gerechtshof Den Haag heeft op 5 augustus 2026 belangrijke inzichten aangereikt over de arm’s length prijsstelling in intercompany financieringsovereenkomsten.
Het ging in deze zaak om intercompany kredietfaciliteiten, waarbij de belastingplichtige variabele rente in aftrek heeft gebracht over opgenomen bedragen en ‘commitment fees’ over het totale bedrag van de faciliteit, inclusief niet opgenomen ‘headroom’. Het arrest gaat weliswaar in op verschillende inhoudelijke vraagstukken ten aanzien van transfer pricing, maar de belangrijkste conclusie is duidelijk: belastingplichtigen moeten hun financieringsovereenkomsten kunnen onderbouwen met solide en actuele transfer pricing documentatie en kredietanalyses.
Het Hof heeft aangegeven dat de motivering van de transfer pricing door de belastingplichtige in belangrijke mate tekortschoot, hetgeen heeft bijgedragen aan de vaststelling van het Hof dat de belastingplichtige niet de vereiste aangifte heeft ingediend. Dit heeft geleid tot omkering en verzwaring van de bewijslast.
Dit is wellicht de belangrijkste praktische les uit deze casus. Hoewel beoordelingen en inschattingen onvermijdelijk zijn bij transfer pricing voor financiële transacties, moeten belastingplichtigen wel kunnen aantonen dat hun conclusies worden ondersteund door een solide methodologie, betrouwbare gegevens en actueel bewijs. Het ontbreken van die onderbouwing kan leiden tot grotere gevolgen dan alleen een aanpassing van de transfer pricing. Het kan aanzienlijke nadelige gevolgen hebben voor de procespositie van belastingplichtigen.
Belangrijkste opmerkingen uit het arrest:
Wat zijn de gevolgen voor belastingplichtigen?
Deze casus herinnert ons eraan dat de resultaten van en onderbouwing voor transfer pricing niet los van elkaar kunnen worden gezien. Een belastingplichtige kan valide argumenten hebben voor de prijsstelling, vergelijkbaarheid of arm’s length bandbreedtes, maar deze zijn aanzienlijk moeilijker te verdedigen wanneer de onderliggende analyse onvolledig of onvoldoende gedocumenteerd is.
Groepen met uitgebreide intercompany financieringsovereenkomsten dienen er daarom voor te zorgen dat zij beschikken over:
Conclusie
Het arrest biedt gedetailleerde richtsnoeren ten aanzien van de transfer pricing voor financiële transacties tussen gelieerde lichamen. Maar belangrijker is dat hierin een punt wordt gemaakt dat in de praktijk vaak over het hoofd wordt gezien: de kwaliteit van de onderliggende analyse kan net zo belangrijk zijn als de transfer pricing zelf. Hoewel het Hof erkende dat transfer pricing geen exacte wetenschap is, werd duidelijk gemaakt dat belastingplichtigen hun standpunt toch moeten kunnen onderbouwen met geloofwaardig en actueel bewijsmateriaal. Solide transfer pricing documentatie blijft een van de meest doeltreffende instrumenten voor het beheersen van zowel inhoudelijke transfer pricing-risico’s als procesrisico’s in een geschil met de belastingdienst.
Bron: