Ga direct naar de inhoud

Duitse Rentenversicherung alleen belast voor zover premies aftrekbaar zijn

Uitkeringen uit de ‘Rentenversicherung’, de wettelijk geregelde pensioenverzekering in Duitsland, zijn alleen belast voor zover premies aftrekbaar zijn.

Duitse Rentenversicherung

A heeft in de periode 1 januari 1980 tot en met 13 april 1997 in Duitsland gewoond en gewerkt en was in die periode verplicht verzekerd onder de zogenoemde Rentenversicherung. In 2018 woonde A het gehele jaar in Nederland. De inspecteur heeft bij het vaststellen van de aanslag IB/PVV 2018 het volledige bedrag van de ontvangen uitkeringen als loon in de heffing betrokken.

Hoger beroep

A heeft in hoger beroep betoogd dat de premies die hij voor de Rentenversicherung heeft betaald, slechts voor 45% aftrekbaar waren van de Duitse loon- en inkomstenbelasting. Zijns inziens zou de box 1-heffing daarom ook tot 45% van de in het jaar 2018 ontvangen uitkeringen beperkt moeten worden.

Hof Arnhem-Leeuwarden was het daarmee eens. Uit art. 3.82, onderdeel b, Wet IB 2001 volgt namelijk dat uitkeringen uit een pensioenregeling van een andere mogendheid niet tot het loon gerekend worden voor zover aannemelijk is dat over de aanspraak heffing heeft plaatsgevonden die naar aard en strekking overeenkomt met de loonbelasting of de inkomstenbelasting. Dat de Hoge Raad onder de Wet IB 1964 oordeelde dat uitkeringen uit een Rentenversicherung volledig als loon belastbaar waren, doet hieraan niet af. Destijds was art. 3.82 Wet IB 2001 immers nog niet in werking getreden.  

Oordeel Hoge Raad

In cassatie stelde de staatssecretaris dat uit art. 3.81 Wet IB 2001 volgt dat de uitkeringen uit de Duitse Rentenversicherung tot het loon behoren en dat irrelevant is of, en zo ja in hoeverre, de betaalde premies in Duitsland in aftrek zijn gekomen. Volgens de staatssecretaris is het loonbegrip voor loon uit vroegere dienstbetrekking niet gewijzigd met de invoering van de Wet IB 2001 en heeft de oude jurisprudentie haar belang behouden.

De Hoge Raad oordeelt echter, in navolging van het gerechtshof, dat art. 3.82, onderdeel b, Wet IB 2001 een uitbreiding van het loonbegrip bevat en voorgaat op de algemene regel van art. 3.81 Wet IB 2001, die aansluit bij het loon overeenkomstig de wettelijke bepalingen van de loonbelasting. Dit brengt mee dat het arrest uit 1994 geen betekenis meer heeft in de voorliggende zaak. Het hof heeft dan ook terecht aan de hand van art. 3.82, onderdeel b, Wet IB 2001 getoetst in hoeverre de pensioenuitkeringen als loon in de heffing van Nederlandse inkomstenbelasting moeten worden betrokken. De Hoge Raad merkt op dat zo een resultaat wordt bereikt dat vergelijkbaar is met de werking van de omkeerregel in de Wet LB 1964, en daarmee besloten ligt in de toepassing van art. 3.81 Wet IB 2001 in binnenlandse situaties.

In cassatie kwam ook nog de vraag aan de orde of de Duitse Rentenversicherung kwalificeert als een pensioenregeling van een andere mogendheid als bedoeld in art. 1.7, lid 2, onderdeel c, Wet IB 2001. of dat sprake is van socialezekerheidsuitkeringen die in Nederland belast zijn als aangewezen periodieke publiekrechtelijke uitkeringen (art. 3.100, lid 1, onderdeel a, Wet IB 2001). De Hoge Raad oordeelt echter dat het hof op basis van de stellingen van partijen in hoger beroep mocht concluderen dat niet in geschil was dat de Duitse Rentenversicherung als een pensioenregeling kwalificeert. De rangorderegeling brengt dan mee dat art. 3.82, onderdeel b, Wet IB 2001 voorgaat. Het cassatieberoep is ongegrond.  

Gevolgen voor de praktijk

Het oordeel van de Hoge Raad heeft bredere impact voor de expatpraktijk. De gemiddelde expat die naar Nederland komt heeft namelijk een pensioenaanspraak in het buitenland. Voor deze aanspraak dient te worden bepaald of het om een pensioenregeling gaat volgens de belastingwetten van het bronland en of die wetten naar aard en strekking overeenkomen met de Nederlandse loon- en inkomstenbelasting.

Vervolgens moet aannemelijk worden gemaakt of, en zo ja voor welk deel, de pensioenaanspraak in een met de loon- en inkomstenbelasting vergelijkbare heffing is betrokken. Voor pensioenaanspraken die (deels) vóór 1 januari 2001 zijn opgebouwd moet bovendien rekening worden gehouden met een uiterst complex overgangsregime.

Het voorgaande kan tot de conclusie leiden dat de pensioenaanspraak moet worden gesplitst, waardoor heffing deels in box 1 en deels in box 3 plaatsvindt. Dit roept vragen op over de wijze waarop die splitsing moet plaatsvinden en hoe het box 3-deel vervolgens moet worden gewaardeerd. De Hoge Raad is in het nu gewezen arrest niet aan deze problematiek toegekomen omdat de inspecteur ter zitting bij het hof had ingestemd met een rendementsgrondslag van nihil voor het in geschil zijnde jaar (2018). Dit neemt niet weg dat het arrest potentieel grote gevolgen kan hebben voor expats.

Bron:

  • HR 19 juni 2026, 22/04928, ECLI:NL:HR:2026:961

Did you find this useful?

Thanks for your feedback