Ga direct naar de inhoud

Bewijsvermoeden van de splitsingsfaciliteit in strijd met de Fusierichtlijn

De Hoge Raad oordeelt dat het bewijsvermoeden in de laatste volzin van artikel 14a, zesde lid, Wet VPB 1969 niet verenigbaar is met de Fusierichtlijn, voor zover deze bepaling ertoe leidt dat automatisch wordt aangenomen dat zakelijke overwegingen ontbreken, zonder dat de inspecteur een begin van bewijs hoeft te leveren dat geen sprake is van zakelijke overwegingen of dat er aanwijzingen bestaan voor belastingfraude of belastingontwijking.

Register for tax newsletters

Casus

De onderhavige zaak ziet op een in Nederland gevestigde groep die onder meer bestaat uit een uitvaartverzekeringsmaatschappij (hierna: belanghebbende), waarvan alle aandelen in bezit zijn van een in Luxemburg gevestigde vennootschap (hierna: de aandeelhouder). Tot de groep behoorde ook een levensverzekeringsmaatschappij die belanghebbende genoodzaakt was te verkopen aan een derde. Belanghebbende heeft de inspecteur geïnformeerd over haar voornemen de verkoop vorm te geven door middel van een afsplitsing, waarbij de gehele onderneming – met uitzondering van enkele vermogensbestanddelen – onder algemene titel zou overgaan in plaats van door een activa-passivatransactie. Binnen drie jaar na de splitsing zijn de aandelen in de verkrijgende vennootschap aan een derde verkocht.

Belanghebbende heeft de inspecteur verzocht om zekerheid vooraf of de splitsingsfaciliteit van artikel 14a, tweede lid, Wet VPB 1969 van toepassing kon zijn. De inspecteur heeft dit verzoek echter afgewezen, omdat naar zijn oordeel niet is voldaan aan een vereiste van deze faciliteit, namelijk het aannemelijk maken dat de splitsing niet in overwegende mate was gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing.

Oordeel Hof

Voor het Hof was in geschil of de splitsing in overwegende mate was gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing in de zin van artikel 14a, zesde lid, Wet VPB 1969. Vaststond dat de aandelen in de verkrijgende vennootschap binnen drie jaar na de splitsing aan een derde waren verkocht. Op grond van de laatste volzin van artikel 14a, zesde lid, Wet VPB 1969 geldt in dat geval een wettelijk vermoeden dat zakelijke overwegingen niet aanwezig zijn, tenzij tegenbewijs wordt geleverd. Het Hof oordeelde echter dat belanghebbende daarin niet is geslaagd. Belanghebbende heeft vervolgens cassatieberoep ingesteld.

Strijdigheid met de Fusierichtlijn

Voor de Hoge Raad stond de vraag centraal of het bewijsvermoeden in de laatste volzin van artikel 14a, zesde lid, Wet VPB 1969 verenigbaar is met de Fusierichtlijn. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie blijkt dat lidstaten geen algemeen vermoeden van misbruik mogen hanteren. Elke transactie dient te worden beoordeeld op basis van alle relevante feiten en omstandigheden.

De Hoge Raad oordeelt dat voor zover de laatste volzin van artikel 14a, zesde lid, Wet VPB 1969 ertoe leidt dat automatisch wordt uitgegaan van het ontbreken van zakelijke overwegingen – zonder dat de inspecteur ten minste een begin van bewijs hoeft te leveren – die bepaling in strijd is met de Fusierichtlijn. In zoverre dient het wettelijk bewijsvermoeden buiten toepassing te blijven. Verder overweegt de Hoge Raad dat ingeval de aandelen binnen drie jaar na een splitsing aan een derde worden verkocht, dit niet automatisch betekent dat zakelijke overwegingen ontbreken. Dat geldt ook indien al vóór de splitsing het voornemen bestond om de aandelen te vervreemden.

Hieruit volgt dat het Hof de bewijslast onjuist heeft verdeeld. De inspecteur mocht niet volstaan met het betwisten van de door belanghebbende aangevoerde zakelijke overwegingen, maar had ten minste een begin van bewijs moeten leveren dat geen sprake is van zakelijke overwegingen of dat er aanwijzingen bestaan voor het ontgaan of uitstellen van belastingheffing.

De hofuitspraak wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen naar Hof ‘s-Hertogenbosch. In dit kader merkt de Hoge Raad op dat voor de beoordeling of de splitsing heeft plaatsgevonden op basis van zakelijke overwegingen bepalend is dat zowel het einddoel als de gekozen weg naar dat einddoel door zakelijke overwegingen is ingegeven. Niet uitgesloten is dat dat ook aandeelhoudersmotieven als zakelijke overwegingen kwalificeren.


Bron:

  • Hoge Raad 27 februari 2026, 22/04085, ECLI:NL:HR:2026:298

Did you find this useful?

Thanks for your feedback