Geen resultaten gevonden
Op 15 september 2026 heeft het kabinet het pakket Belastingplan 2027 bij de Tweede Kamer ingediend.
Onze experts behandelen in 30 minuten de meest opvallende punten uit het
Belastingplan 2027. Bekijk onze webcast hieronder.
Wijzig de cookie-instellingen voor targeting/adverteren als u deze video wilt bekijken.
Op 15 september 2026 heeft het ministerie van Financiën de belastingplannen voor 2027 gepresenteerd. Hieronder bespreken we de belangrijkste voorstellen voor multinationals. Indien de voorgestelde wijzigingen worden aangenomen, is de beoogde datum van inwerkingtreding 1 januari 2027, tenzij anders vermeld.
Aanpassing fiscale behandeling ingeprijsd valutaresultaat
Voorgesteld wordt om valutaresultaten op afdekkingsinstrumenten die op verzoek onder de deelnemingsvrijstelling worden gebracht te beperken tot de niet-ingeprijsde valutaresultaten. Het ingeprijsde valutaresultaat valt daarmee in de belaste sfeer. Tegelijkertijd wordt verduidelijkt dat toepassing van de deelnemingsvrijstelling op afdekkingsinstrumenten uitsluitend plaatsvindt op verzoek van de belastingplichtige. Ook wordt wettelijk vastgelegd dat de deelnemingsvrijstelling ingaat op de laatste van de volgende momenten: de datum van de rechtshandeling, de ontvangst door de inspecteur van het verzoek, of de in het verzoek genoemde datum. Verder wordt voorgesteld dat een belastingplichtige kan verzoeken de deelnemingsvrijstelling vanaf een bepaald moment niet langer toe te passen op een afdekkingsinstrument.
De voorgestelde maatregel geldt voor boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2027. Verder bevat het voorstel overgangsrecht voor bestaande afdekkingsinstrumenten. De huidige regels blijven van toepassing op voordelen toerekenbaar aan de periode tot de inwerkingtredingsdatum. Daarnaast geldt een uitgestelde werking tot en met 31 december 2027 voor afdekkingsinstrumenten die vóór 15 september 2026 zijn aangegaan en waarvoor de deelnemingsvrijstelling al van toepassing was of tijdig om toepassing was verzocht.
Vervallen onzakelijkheidsvermoeden bedrijfsfusie- en splitsingsfaciliteit
De wet bepaalt dat splitsingen onder voorwaarden neutraal kunnen plaatsvinden. Om misbruik te voorkomen geldt de splitsingsfaciliteit niet als deze in overwegende mate is gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing. Daarvan wordt, behoudens tegenbewijs, geacht sprake te zijn indien de splitsing niet plaatsvindt op grond van zakelijke overwegingen. Als een betrokken lichaam binnen drie jaar na de reorganisatie wordt vervreemd aan een niet-verbonden lichaam geldt dit als een bewijsvermoeden van onzakelijkheid.
De Hoge Raad oordeelde eerder dit jaar dat dit onzakelijkheidsvermoeden in strijd is met de Fusierichtlijn. Om die reden wordt voorgesteld om dit onzakelijkheidsvermoeden te schrappen. Omdat de bedrijfsfusiefaciliteit een vergelijkbaar onzakelijkheidsvermoeden bevat en eveneens is gebaseerd op de Fusierichtlijn, wordt voorgesteld om het onzakelijkheidsvermoeden ook daar te schrappen.
Energie-investeringsaftrek
Het kabinet stelt voor het aftrekpercentage van de energie-investeringsaftrek te verhogen van 40% naar 45,5% van het investeringsbedrag. Voor bedrijven wordt het daarmee aantrekkelijker om te investeren in verduurzaming.
Verruiming forfaitaire regeling innovatiebox
De vennootschapsbelasting bevat een forfaitaire regeling met als doel om de innovatiebox toegankelijker te maken voor het midden- en kleinbedrijf (mkb). Voorgesteld wordt het maximale forfaitaire bedrag dat in de innovatiebox kan vallen te verhogen van € 25.000 naar € 100.000. Dit bedrag geldt per jaar en per belastingplichtige.
Teruggaafregeling dividendbelasting
Naar aanleiding van een arrest van de Hoge Raad uit 2024 wordt een wettelijke teruggaafregeling geïntroduceerd voor in Nederland woonachtige natuurlijke personen en in Nederland gevestigde lichamen die via buitenlandse beleggingsinstellingen gerechtigd zijn tot dividenden afkomstig van in Nederland gevestigde vennootschappen. Dergelijke dividenden mogen op basis van het Unierecht niet zwaarder worden belast dan dividenden afkomstig uit Nederland die via een fiscale beleggingsinstelling (fbi) aan haar Nederlandse achterliggers worden uitgekeerd. Voor laatstgenoemde dividenden geldt immers een afdrachtvermindering wanneer het dividend wordt dooruitgekeerd door de fbi. De teruggaaf kan volgens het voorstel worden berekend aan de hand van een formule of, onder voorwaarden, op basis van een alternatieve berekening.
Veiligehavenregels Wet minimumbelasting 2024
Het Wetsvoorstel Wet veiligehavenregels Wet minimumbelasting 2024 bevat diverse wijzigingen in de Wet minimumbelasting 2024. Deze wijzigingen zijn relevant voor groepen die door de omvang van hun geconsolideerde jaaromzet onder de wereldwijde minimumbelastingregels vallen. De voorgestelde veiligehavenregels vloeien voort uit het zogenoemde Side-by-Side-pakket, waarover op 5 januari 2026 binnen het Inclusive Framework van de OESO overeenstemming is bereikt.
Voorgesteld worden onder meer:
Het wetsvoorstel verleent aan diverse onderdelen terugwerkende kracht tot en met 31 december 2025 of 1 januari 2026, afhankelijk van de specifieke regeling. De toepassing van terugwerkende kracht voor de vereenvoudigde effectieve belastingtarief-veiligehavenregel ten aanzien van een bepaalde jurisdictie kan echter afhankelijk zijn van de implementatiekeuze door een andere Pijler 2-jurisdictie. Voor de Nederlandse winsten is Nederland in beginsel de enige staat die het heffingsrecht heeft, onder de binnenlandse bijheffing, en als zodanig zal de vereenvoudigde effectieve belastingtarief-veiligehavenregel in ieder geval in de context van de Nederlandse winsten toepassing kunnen vinden met terugwerkende kracht.
Voor groepen binnen de reikwijdte van de minimumbelasting is een tijdige beoordeling van de toepassingsvoorwaarden van belang, omdat de veilige havens administratieve lasten kunnen beperken.
Een conceptversie van het wetsvoorstel heeft eerder dit jaar, in de zomer, een consultatieproces doorlopen. Aan de hand van de verkregen input zijn enkele (beperkte) wijzigingen aangebracht in de voorgestelde wettekst of de begeleidende toelichting. Het wetsvoorstel omvat overigens nog niet de recentelijk (d.d. 11 september 2026) door het OESO Inclusive Framework gepubliceerde administratieve richtsnoeren met betrekking tot discriminerende bijheffingsregels en de binnenlandse bijheffing veilige havenregel bij verslaggevingsperioden die afwijken van het verslagjaar van de geconsolideerde jaarrekening.
Start-ups en scale-ups
Er wordt een nieuwe fiscale aandelenoptiefaciliteit voor werknemers van start-ups en scale-ups voorgesteld. Een start-up of scale-up is een onderneming die gebruikmaakt van een schaalbaar en herhaalbaar bedrijfsmodel dat voortvloeit uit innovatie. Een ‘schaalbaar en herhaalbaar bedrijfsmodel’ is de capaciteit van een onderneming om snelle omzetgroei te realiseren door gebruik te maken van technologie die tot lagere marginale kosten en schaalvoordelen leidt. Bij innovatie gaat het om technische vernieuwing of significante functionele verbetering ten opzichte van de bedrijfstak. Of sprake is van een start-up of scale-up wordt op verzoek van de werkgever door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) bij beschikking vastgesteld. De afgegeven beschikking heeft in beginsel een geldigheidsduur van acht jaar en kan op verzoek maximaal drie keer voor vijf jaar worden verlengd. Het kabinet kiest ervoor om een eigen definitie van start-up en scale-up te hanteren en dus niet de criteria voorgesteld door de Europese Commissie te hanteren welke een grens stelt aan omzet of medewerkers.
Ingeval van een kwalificerende start-up of scale-up wordt het voordeel dat de werknemer realiseert met verkoop van de bij uitoefening van de opties verkregen aandelen of winstbewijzen slechts voor 65% als loon in aanmerking genomen. De volgende elementen zijn daarbij van belang: