Skip to main content
Welkom bij Deloitte
Als we de verkeerde ervaring voor je hebben geselecteerd, wijzig deze dan hierboven.

Belastingplan 2027 - overzicht van de ingediende wetsvoorstellen

In deze bijdrage gaan wij in op de fiscale voorstellen die het kabinet op Prinsjesdag heeft ingediend als onderdeel van pakket Belastingplan 2027. Ook enkele andere fiscale wetswijzigingen komen aan bod.

Op 15 september 2026 heeft het kabinet het pakket Belastingplan 2027 bij de Tweede Kamer ingediend. Van dit pakket maken de volgende wetsvoorstellen deel uit:

  • Belastingplan 2027
  • Overige fiscale maatregelen 2027
  • Veiligehavenregels Wet minimumbelasting 2024
  • Fiscale stimulering startups en scale-ups


De meeste maatregelen treden per 1 januari 2027 in werking. Waar dat anders is, hebben wij dat vermeld. Gedurende de parlementaire behandeling kunnen de wetsvoorstellen overigens nog flink wijzigen. Hierna zijn de voorgestelde maatregelen per belastingsoort weergegeven.

Veiligehavenregels Wet minimumbelasting 2024
Het Wetsvoorstel Wet veiligehavenregels Wet minimumbelasting 2024 bevat diverse wijzigingen in de Wet minimumbelasting 2024. Deze wijzigingen zijn relevant voor groepen die door de omvang van hun geconsolideerde jaaromzet onder de wereldwijde minimumbelastingregels vallen. De voorgestelde veiligehavenregels vloeien voort uit het zogenoemde Side-by-Side-pakket, waarover op 5 januari 2026 binnen het Inclusive Framework van de OESO overeenstemming is bereikt.

Voorgesteld worden onder meer:

  • een vereenvoudigde effectieve belastingtarief-veiligehavenregel, op grond waarvan de bijheffing in een getoetste staat op nihil kan worden gesteld als het vereenvoudigde effectieve belastingtarief ten minste gelijk is aan het minimumbelastingtarief van 15% of sprake is van een vereenvoudigd verlies;
  • een kwalificerend equivalent minimumbelastingstelsel-veiligehavenregel;
  • een uiteindelijkemoederentiteit-veiligehavenregel;
  • een kwalificerende fiscale stimuleringsregeling-veiligehavenregel;
  • verlenging van de tijdelijke CbCR-veiligehavenregel;
  • een technische aanpassing voor groepen met een verslagjaar van 52 of 53 weken.


Het wetsvoorstel verleent aan diverse onderdelen terugwerkende kracht tot en met 31 december 2025 of 1 januari 2026, afhankelijk van de specifieke regeling. De toepassing van terugwerkende kracht voor de vereenvoudigde effectieve belastingtarief-veiligehavenregel ten aanzien van een bepaalde jurisdictie kan echter afhankelijk zijn van de implementatiekeuze door een andere Pijler 2-jurisdictie. Voor de Nederlandse winsten is Nederland in beginsel de enige staat die het heffingsrecht heeft, onder de binnenlandse bijheffing, en als zodanig zal de vereenvoudigde effectieve belastingtarief-veiligehavenregel in ieder geval in de context van de Nederlandse winsten toepassing kunnen vinden met terugwerkende kracht. Voor groepen binnen de reikwijdte van de minimumbelasting is een tijdige beoordeling van de toepassingsvoorwaarden van belang, omdat de veiligehavens administratieve lasten kunnen beperken.

Een conceptversie van het wetsvoorstel heeft eerder dit jaar een consultatieproces doorlopen. Aan de hand van de verkregen input zijn enkele (beperkte) wijzigingen aangebracht in de voorgestelde wettekst of de begeleidende toelichting. Het wetsvoorstel omvat overigens nog niet de recentelijk (d.d. 11 september 2026) door het OESO Inclusive Framework gepubliceerde administratieve richtsnoeren met betrekking tot discriminerende bijheffingsregels en de binnenlandse bijheffing veilige havenregel bij verslaggevingsperioden die afwijken van het verslagjaar van de geconsolideerde jaarrekening.

Vennootschapsbelasting en dividendbelasting
 

Vennootschapsbelasting

Aanpassing fiscale behandeling ingeprijsd valutaresultaat
Voorgesteld wordt om valutaresultaten op afdekkingsinstrumenten die op verzoek onder de deelnemingsvrijstelling worden gebracht te beperken tot de niet-ingeprijsde valutaresultaten. Het ingeprijsde valutaresultaat valt daarmee in de belaste sfeer. Tegelijkertijd wordt verduidelijkt dat toepassing van de deelnemingsvrijstelling op afdekkingsinstrumenten uitsluitend plaatsvindt op verzoek van de belastingplichtige. Ook wordt wettelijk vastgelegd dat de deelnemingsvrijstelling ingaat op de laatste van de volgende momenten: de datum van de rechtshandeling, de ontvangst door de inspecteur van het verzoek, of de in het verzoek genoemde datum. Verder wordt voorgesteld dat een belastingplichtige kan verzoeken de deelnemingsvrijstelling vanaf een bepaald moment niet langer toe te passen op een afdekkingsinstrument.

De voorgestelde maatregel geldt voor boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2027. Verder bevat het voorstel overgangsrecht voor bestaande afdekkingsinstrumenten. De huidige regels blijven van toepassing op voordelen toerekenbaar aan de periode tot de inwerkingtredingsdatum. Daarnaast geldt een uitgestelde werking tot en met 31 december 2027 voor afdekkingsinstrumenten die vóór 15 september 2026 zijn aangegaan en waarvoor de deelnemingsvrijstelling al van toepassing was of tijdig om toepassing was verzocht.

Vervallen onzakelijkheidsvermoeden bedrijfsfusie- en splitsingsfaciliteit
De wet bepaalt dat splitsingen onder voorwaarden neutraal kunnen plaatsvinden. Om misbruik te voorkomen geldt de splitsingsfaciliteit niet als deze in overwegende mate is gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing. Daarvan wordt, behoudens tegenbewijs, geacht sprake te zijn indien de splitsing niet plaatsvindt op grond van zakelijke overwegingen. Als een betrokken lichaam binnen drie jaar na de reorganisatie wordt vervreemd aan een niet-verbonden lichaam geldt dit als een bewijsvermoeden van onzakelijkheid.

De Hoge Raad oordeelde eerder dit jaar dat dit onzakelijkheidsvermoeden in strijd is met de Fusierichtlijn. Om die reden wordt voorgesteld om dit onzakelijkheidsvermoeden te schrappen. Omdat de bedrijfsfusiefaciliteit een vergelijkbaar onzakelijkheidsvermoeden bevat en eveneens is gebaseerd op de Fusierichtlijn, wordt voorgesteld om het onzakelijkheidsvermoeden ook daar te schrappen.

Energie-investeringsaftrek
Het kabinet stelt voor het aftrekpercentage van de energie-investeringsaftrek te verhogen van 40% naar 45,5% van het investeringsbedrag. Voor bedrijven wordt het daarmee aantrekkelijker om te investeren in verduurzaming.

Verruiming forfaitaire regeling innovatiebox
De vennootschapsbelasting bevat een forfaitaire regeling met als doel om de innovatiebox toegankelijker te maken voor het midden- en kleinbedrijf (mkb). Voorgesteld wordt het maximale forfaitaire bedrag dat in de innovatiebox kan vallen te verhogen van € 25.000 naar € 100.000. Dit bedrag geldt per jaar en per belastingplichtige.

Earningstrippingmaatregel woningcorporaties
In het Belastingplan 2027 is het vervallen van de renteaftrekbeperking (earningsstrippingmaatregel) voor woningcorporaties nog niet opgenomen. Uit de aanbiedingsbrief blijkt echter dat hierin door middel van een Nota van wijziging zal worden voorzien. Beoogde ingangsdatum is nog steeds 1 januari 2028. De achtergrond is dat woningcorporaties deze versoepeling (en dus financiële ruimte) al een jaar eerder kunnen inrekenen in de meerjarenbegroting, omdat een begroting moet zijn gebaseerd op aangenomen wetsvoorstellen.

Onderwijsvrijstelling
Het wetvoorstel Overige fiscale maatregelen 2027 voorziet in een aanpassing van de onderwijsvrijstelling in de vennootschapsbelasting. Het vragen van een contractuele tegenprestatie voor onderwijs en/of onderzoek sluit de toepassing van zowel de objectieve als de subjectieve onderwijsvrijstelling uit, ook al wordt de contractuele tegenprestatie door de opdrachtgever volledig uit publieke middelen geput.
 

Dividendbelasting

Teruggaafregeling dividendbelasting
Naar aanleiding van een arrest van de Hoge Raad uit 2024 wordt een wettelijke teruggaafregeling geïntroduceerd voor in Nederland woonachtige natuurlijke personen en in Nederland gevestigde lichamen die via buitenlandse beleggingsinstellingen gerechtigd zijn tot dividenden afkomstig van in Nederland gevestigde vennootschappen. Dergelijke dividenden mogen op basis van het Unierecht niet zwaarder worden belast dan dividenden afkomstig uit Nederland die via een fiscale beleggingsinstelling (fbi) aan haar Nederlandse achterliggers worden uitgekeerd. Voor laatstgenoemde dividenden geldt immers een afdrachtvermindering wanneer het dividend wordt dooruitgekeerd door de fbi. De teruggaaf kan volgens het voorstel worden berekend aan de hand van een formule of, onder voorwaarden, op basis van een alternatieve berekening.

Inkomensbeleid
Als onderdeel van het koopkrachtpakket wordt het maximum van de arbeidskorting in 2027 verhoogd van € 5.685 naar € 5.929. Daar staat tegenover dat het maximum van de ouderenkorting in 2027 wordt verlaagd van € 2.067 naar € 1.993. Verder stijgt het tarief in de eerste en tweede schijf van de inkomstenbelasting naar 36,13% (2026: 35,75%) respectievelijk 38,16% (2026: 37,56%). Ook valt op dat de inkomensgrens waarboven het toptarief van 49,50% geldt in 2027 gelijk blijft aan die voor het jaar 2026 (€ 78.426). De voorgestelde tariefstructuur ziet er als volgt uit:
 

Schijfgrenzen

2026

2027

Einde eerste schijf (geboren vóór 1 januari 1946)

€ 41.123

€ 41.637

Einde eerste schijf (geboren na 1 januari 1946)

€ 38.883

€ 39.247

Einde tweede schijf

€ 78.426

€ 78.426

Derde schijf

> € 78.426

> € 78.426

 

Gecombineerde tarieven IB/PVV

2026

2027

Tarief eerste schijf (ouder dan AOW-leeftijd)

17,85%

18,33%

Tarief eerste schijf (jonger dan AOW-leeftijd)

35,75%

36,23%

Tarief tweede schijf

37,56%

38,16%

Tarief derde schijf

49,50%

49,50%


Het tarief in box 2 bedraagt in 2027 24,5% tot een inkomen van € 69.607 en 31% over het meerdere. Het tarief in box 3 bedraagt in 2027 ongewijzigd 36%. Het heffingsvrije vermogen in box 3 komt in 2027 uit op € 60.098.

Vrijheidsbijdrage
De wettelijke inflatiecorrectie zou voor het jaar 2026 2,6% bedragen. In het kader van de zogenoemde vrijheidsbijdrage wordt deze correctie in 2027 echter slechts deels (voor 48%) toegepast, zodat de tabelcorrectiefactor in 2027 op 1,01248 uitkomt. Dit brengt mee dat de eerste en tweede tariefschijf in de inkomstenbelasting, maar ook diverse andere schijfgrenzen, vrijstellingen en heffingskortingen in de inkomstenbelasting minder worden verhoogd dan volgens de wettelijke inflatiecorrectie gerechtvaardigd zou zijn. Hiermee is in 2027 een budgettair belang gemoeid van € 1,5 mld. Dit bedrag loopt in 2028 op naar € 3,4 mld. Voor bedrijven wordt de vrijheidsbijdrage vormgegeven door een verhoging van de Aof-premie. Die verhoging maakt echter geen onderdeel uit van het Belastingplan 2027.

Afschaffen bosbouwvrijstelling
Het kabinet stelt voor de bosbouwvrijstelling per 1 januari 2029 af te schaffen. Daarmee vervalt de vrijstelling voor voordelen uit bosbedrijf in de inkomstenbelasting en de vennootschapsbelasting. Voor IB-ondernemers en vennootschappen met bosbouwactiviteiten betekent dit dat voordelen uit bosbedrijf vanaf 2029 niet langer via deze vrijstelling buiten de heffing blijven.

Afbouw stakingsaftrek en meewerkaftrek
De stakingsaftrek in de inkomstenbelasting wordt per 2027 met 75% verminderd tot een bedrag van € 908 (2026: € 3.630) en in 2030 helemaal afgeschaft. Als reden voert de wetgever aan dat uit een evaluatie is gebleken dat de regeling geen legitiem doel meer dient. Om diezelfde reden wordt ook de meewerkaftrek in de inkomstenbelasting afgebouwd. Eerst worden de aftrekpercentages in 2027 sterk verminderd, waarna de regeling in 2030 helemaal verdwijnt. De opbrengst wordt gebruikt ter financiering van de nieuwe fiscale regeling voor startups en scale-ups in de loonbelasting.

Afbouw startersaftrek
Het kabinet stelt voor de startersaftrek per 1 januari 2027 te verlagen van € 2.123 naar € 10 en deze per 1 januari 2028 volledig af te schaffen. Ook de regeling voor willekeurige afschrijving voor starters wordt per 1 januari 2028 afgeschaft. De startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid vervalt per 1 januari 2029. De regelingen zijn volgens het kabinet slechts beperkt doeltreffend is in het stimuleren van ondernemerschap en gepaard gaat met relatief hoge uitvoeringskosten.

Afschaffen aftrek van uitgaven voor specifieke zorgkosten
Het kabinet stelt voor de aftrek van uitgaven voor specifieke zorgkosten per 1 januari 2028 af te schaffen. Daarmee vervalt ook de daaraan gekoppelde tegemoetkomingsregeling (TSZ). Er is geen specifiek overgangsrecht opgenomen voor negatieve persoonsgebonden aftrek die samenhangt met eerder afgetrokken specifieke zorgkosten. Dit betekent dat een latere teruggave of nagekomen betaling na 1 januari 2028 voor eerder afgetrokken zorgkosten niet meer leidt tot negatieve persoonsgebonden aftrek.

In het Coalitieakkoord is overigens afgesproken om € 350 miljoen vrij te maken voor een tegemoetkoming in de zorgkosten van chronisch zieken. Over de wijze waarop deze middelen zullen worden ingezet moet echter nog een beslissing worden genomen.

Verkrijgingsprijs aanmerkelijk belang bij zetelverplaatsing naar Nederland
Voorgesteld wordt om bij verplaatsing van de werkelijke leiding van een buitenlandse vennootschap naar Nederland de verkrijgingsprijs van een aanmerkelijk belang te stellen op de waarde in het economische verkeer op het moment waarop de buitenlandse belastingplicht ontstaat. Hiermee wordt beoogd te voorkomen dat waardestijgingen of waardedalingen uit de periode vóór de Nederlandse belastingplicht in Nederland in aanmerking worden genomen.

Box 2: samenloop vererfd aanmerkelijk belang en excessief lenen
Reguliere voordelen uit een vererfd aanmerkelijk belang kunnen onder voorwaarden binnen 24 maanden na het overlijden zonder directe box 2-heffing worden ontvangen. De verkrijgingsprijs wordt daarbij verlaagd, waardoor de heffing wordt uitgesteld. In de Overige fiscale maatregelen 2027 wordt voorgesteld deze faciliteit per 1 januari 2027 uit te sluiten voor fictieve reguliere voordelen wegens excessief lenen bij de eigen vennootschap. Dit voorkomt uitstel van de heffing over deze voordelen en mogelijke dubbele belasting. Die dubbele belasting kan ontstaan doordat toepassing van de faciliteit de verkrijgingsprijs verlaagt, terwijl het maximumbedrag voor excessief lenen niet wordt verhoogd en dezelfde bovenmatige schuld opnieuw kan worden belast.

 

Gerelateerd artikel:

Start-ups en scale-ups
Er wordt een nieuwe fiscale aandelenoptiefaciliteit voor werknemers van start-ups en scale-ups voorgesteld. Een start-up of scale-up is een onderneming die gebruikmaakt van een schaalbaar en herhaalbaar bedrijfsmodel dat voortvloeit uit innovatie. Een ‘schaalbaar en herhaalbaar bedrijfsmodel’ is de capaciteit van een onderneming om snelle omzetgroei te realiseren door gebruik te maken van technologie die tot lagere marginale kosten en schaalvoordelen leidt. Bij innovatie gaat het om technische vernieuwing of significante functionele verbetering ten opzichte van de bedrijfstak.

Of sprake is van een start-up of scale-up wordt op verzoek van de werkgever door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) bij beschikking vastgesteld. De afgegeven beschikking heeft in beginsel een geldigheidsduur van acht jaar, maar kan op verzoek maximaal drie keer voor vijf jaar worden verlengd. Het kabinet kiest ervoor om een eigen definitie van start-up en scale-up te hanteren en dus niet de criteria voorgesteld door de Europese Commissie te hanteren welke een grens stelt aan omzet of medewerkers.

In verband met staatssteunaspecten moet de inhoudingsplichtige bij toekenning van de opties wel als een kleine, middelgrote of micro-onderneming kwalificeren voor toepassing van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening (AGVV). De criteria zijn: maximaal 250 werknemers in dienst, een jaaromzet van ten hoogste € 50 miljoen en een balanstotaal van niet meer dan € 43 miljoen. Een uitzondering geldt wanneer aan de voorwaarden in de de-minimisverordening wordt voldaan (steunbedrag per onderneming bedraagt niet meer dan € 300.000 per drie jaar).

Ingeval van een kwalificerende start-up of scale-up wordt het voordeel dat de werknemer realiseert met verkoop van de bij uitoefening van de opties verkregen aandelen of winstbewijzen slechts voor 65% als loon in aanmerking genomen. De volgende elementen zijn daarbij van belang:

  • Indien de werknemer daarvoor kiest kan de heffing ook bij de uitoefening van het aandelenoptierecht of bij het verhandelbaar worden van de verkregen aandelen plaatsvinden.
  • De korting op de heffingsgrondslag geldt niet als sprake is van een lucratief belang of een aanmerkelijk belang en is ook niet van toepassing bij vervreemding van het aandelenoptierecht zelf.
  • Verder mag het optierecht niet eerder dan twee jaar na toekenning voor het eerst worden uitgeoefend, tenzij er sprake is van een eerdere verkoop of beursgang van de onderneming van de inhoudingsplichtige.
  • Aandelenoptierechten die op of na 17 april 2025 zijn toegekend en op 31 december 2026 nog niet in de loonbelasting zijn betrokken kunnen voor de nieuwe regeling in aanmerking komen.
  • Indien een werknemer die deelneemt aan een aandelenoptieregeling uit dienst treedt, zal dat niet worden gezien als een heffingsmoment. Ook dan vindt belastingheffing plaats op het moment van vervreemding van de aandelen. Het loonvoordeel dat wordt genoten uit de aandelenoptierechten vormt loon uit tegenwoordige dienstbetrekking, daaronder ook begrepen het loonvoordeel uit waardestijging na uitdiensttreding.
  • Indien de beschikking van RVO afloopt en de (voorheen) kwalificerende aandelenoptie van start-up of scale-up is nog niet gerealiseerd, dient bij uiteindelijke realisatie de waardestijging van de optie te worden gesplitst in een kwalificerend (65%) en niet kwalificerend deel (100%) voor de belastingheffing.
  • Wie uit Nederland vertrekt, ontvangt bij emigratie een conserverende aanslag over de waardestijging van de kwalificerende aandelenopties tot aan emigratie. Het kabinet vindt het passend om zoveel mogelijk aan te sluiten bij de uitstelfaciliteit die wordt aangeboden bij aandelenopties in start-ups en scale-ups. Uitstel van betaling wordt daarom automatisch verleend voor onbepaalde tijd en wordt al dan niet gedeeltelijk beëindigd wanneer er liquide middelen beschikbaar komen, of een ander heffingsmoment zich voordoet.

Gerichte vrijstelling voor branche-eigen producten
De gerichte vrijstelling voor branche-eigen producten wordt per 1 januari 2027 afgeschaft. Op basis van deze gerichte vrijstelling kon het loonvoordeel gerelateerd aan branche-eigen producten tot een bedrag van ten hoogste 20% van de waarde in het economische verkeer, maar niet meer dan € 500 per kalenderjaar gericht vrijgesteld worden. Een tweetal bepalingen die zien op de belastingheffing van branche-eigen producten blijven in stand. Dit ziet enerzijds op de waardering, nu deze bepaald zal blijven worden aan de hand van de waarde in het economische verkeer. Anderzijds blijft een korting op de branche-eigen producten voor oud-werknemers aangemerkt als verplicht eindheffingsloon voor toepassing van de werkkostenregeling.

Onbelaste reiskostenvergoeding
De maximale onbelaste reiskostenvergoeding wordt met terugwerkende kracht tot 1 januari 2026 verhoogd van € 0,23 naar € 0,25 per kilometer. Dit komt neer op circa € 0,30 per liter brandstof. Het kabinet roept werkgevers op van deze fiscale faciliteit gebruik te maken, zodat het voordeel ook daadwerkelijk bij werknemers terecht komt. De verhoging wordt doorgetrokken naar de bepaling die ziet op het genietingstijdstip van de reiskostenvergoeding. Op deze manier kan een variabele reiskostenvergoeding die aan het einde van het jaar minder is dan of gelijk is aan € 0,25 per kilometer gesaldeerd blijven worden aan het einde van het kalenderjaar.

Maximum pensioengevend loon
Het maximum pensioengevend loon wordt vanaf 2027 tot en met 2032 niet meer geïndexeerd. Dit geldt eveneens voor het inkomen voor de opbouw van lijfrenten. Tot en met 2032 wordt dit bedrag ‘bevroren’ op EUR 137.800.

Youngtimers
Voor zogenoemde ‘youngtimers’ die ook voor privédoeleinden aan een ondernemer of werknemer ter beschikking worden gesteld geldt een alternatief bijtellingsregime, namelijk 35% van de waarde in het economisch verkeer van de auto. De leeftijdsgrens om als ‘youngtimer’ te kwalificeren is per 2026 vastgesteld op 16 jaar. Per 1 januari 2027 wordt deze leeftijdsgrens verhoogd naar 17 jaar en vervolgens naar 20 jaar per 1 januari 2028. De eerder voorziene verhoging van de leeftijdsgrens naar 25 jaar is hiermee van de baan.

Omdat als gevolg van een vorig jaar aangenomen amendement de leeftijdsgrens wel werd aangepast voor het toepasselijke bijtellingspercentage maar niet voor de waarderingsgrondslag, wordt met terugwerkende kracht per 1 januari 2026 geregeld dat auto’s die in 2026 de 16‑jarige grens overschrijden als waarderingsgrondslag de waarde in het economische verkeer krijgen. Tot slot bevat het wetsvoorstel overgangsrecht om deze veranderingen soepel te laten verlopen.

Pseudo-eindheffing fossiele personenauto’s
Het kabinet stelt enkele uitzonderingen voor op de per 1 januari 2027 ingaande pseudo-eindheffing van 12% over de cataloguswaarde voor ‘fossiele’ personenauto’s die ook voor privédoeleinden aan werknemers ter beschikking worden gesteld. De uitzonderingen zien op handgeschakelde lesauto’s en vervangende auto’s gedurende de eerste veertien dagen per onderhouds- of reparatieperiode voor. Ook de vaste auto moet dan voor privégebruik ter beschikking staan.

Het overgangsrecht voor auto’s die dezelfde werkgever vóór 2027 al ter beschikking stelde, wordt volgens het voorstel verlengd tot en met 31 december 2030. Tijdens de overgangsrechtperiode komt daarnaast een uitzondering voor één periode van maximaal zeven aaneengesloten dagen per auto, werkgever en kalenderjaar. Bij overschrijding of herhaalde terbeschikkingstelling vervalt deze uitzondering volledig. Verder wordt voorgesteld het autovoordeel bij samenloop buiten de grondslag voor de pseudo-eindheffing over excessieve vertrekvergoedingen te laten.

 

Gerelateerd artikel:

Tarief woningen
Het tarief van de overdrachtsbelasting voor de verkrijging van woningen die niet als hoofdverblijf dienen – waaronder woningen bestemd voor verhuur of vakanties, wordt met ingang van 1 januari 2027 verlaagd van 8% naar 7%. Het kabinet wil hiermee het investeringsklimaat op de huurmarkt verbeteren en zo het aanbod van huurwoningen vergroten.

Vrijstelling DAEB-woningen woningcorporaties
Er komt een nieuwe vrijstelling overdrachtsbelasting voor transacties tussen woningcorporaties. Deze vrijstelling geldt voor verkrijging van onroerende zaken door een woningcorporatie, mits de onroerende zaken door de overdragende woningcorporatie direct daaraan voorafgaand gebruikt werd voor de uitvoering van diensten van algemeen economisch belang. Dit brengt mee niet alleen de verkrijging van de klassieke sociale huurwoning onder de vrijstelling valt. Ook studentenwoningen en intramuraal vastgoed (verzorgings- en verpleeghuizen) of andere gebouwen met (on)zelfstandige woongelegenheden kunnen onder de vrijstelling vallen, mits de verhuur daarvan als dienst van algemeen economisch belang geldt. Niet is van belang of de verkrijgende woningcorporatie de onroerende zaak voor diensten van algemeen economisch belang blijft gebruiken.

Uit de internetconsultatie van het Eindejaarsbesluit 2026 blijkt dat het de bedoeling is dat de vrijstelling overdrachtsbelasting wegens taakoverdracht wordt aangepast, waarbij de eerder voor woningcorporaties ingevoerde versoepelingen ten aanzien van de koopsomeis weer worden geschrapt. Dat betekent dat de vrijstelling wegens taakoverdracht door woningcorporaties, ook als zij de status van Algemeen Nut Beogende Instelling hebben, feitelijk niet meer toegepast zal kunnen worden.

Afschaffing verlaagd tarief sierteelt
Het verlaagde btw-tarief voor de levering van sierteeltproducten wordt met ingang van het jaar 2028 afgeschaft, waardoor deze leveringen worden belast tegen het algemene btw-tarief van 21%.

Afschaffing verlaagd tarief op luchtballonvaart
Ook het verlaagde btw-tarief voor luchtballonvaart wordt met ingang van het jaar 2028 afgeschaft, waardoor deze personenvervoerdiensten worden belast tegen het algemene tarief van 21%.

Ander personenvervoer zoals bijvoorbeeld openbaar vervoer en taxi’s blijft belast tegen 9%. Er is voorzien in een overgangsregeling om te voorkomen dat via vooruitbetalingen het verlaagde btw-tarief kan worden toegepast op ballonvaarten na 1 januari 2028.

Contourenbrief elektronisch factureren en rapporteren
Het kabinet heeft in een Kamerbrief een besluit gedeeld rondom elektronisch factureren (e-invoicing) en digitaal rapporteren (e-reporting). E-invoicing wordt voor zowel binnenlandse transacties tussen ondernemers als voor de meeste prestaties aan ondernemers in andere EU-lidstaten verplicht per 1 juli 2030. E-reporting wordt gefaseerd ingevoerd voor transacties met een e-invoicing verplichting, per 1 juli 2030 voor de grensoverschrijdende transacties en per 1 juli 2031 voor de binnenlandse prestaties.

Aankondiging Wet direct aanpassen bij de omzetbelasting
Na een preconsultatie in 2024 lijkt het erop dat het Kabinet het systeem voor het herstellen van fouten en verschillen in de btw-aangifte gaat veranderen. In het najaar wordt een internetconsultatie geopend over het wetsvoorstel ‘Wet direct aanpassen bij de omzetbelasting’. Op basis van de informatie uit de preconsultatie wordt er een herzieningstermijn van 3 jaar geïntroduceerd. Deze komt in de plaats van de huidige bezwaartermijn van 6 weken. Met deze langere termijn wordt beoogd meer rechtsbescherming te bieden doordat ondernemers gedurende 3 jaar hun aangifte kunnen corrigeren. De naheffingstermijn voor de inspecteur wordt volgens de informatie uit de preconsultatie verlengd van 5 tot 8 jaar voor situaties die dat rechtvaardigen. De inwerkingtreding wordt voorzien voor 1 januari 2028.

Belasting op leidingwater
Per 1 januari 2027 vervalt het plafond voor de belasting op leidingwater als gevolg van maatregelen uit het Belastingplan 2026. In het Belastingplan 2027 stelt het kabinet voor om het tarief van de belasting op leidingwater per 1 januari 2027 te verhogen met € 0,10 per kubieke meter geleverd leidingwater van drinkwaterkwaliteit. Het tarief stijgt daarmee van € 0,437 naar € 0,537 per m³, op prijspeil 2026. Het tarief wordt jaarlijks geïndexeerd.

Afvalstoffenbelasting - tariefspad
Het kabinet stelt een minder snelle verhoging van de afvalstoffenbelasting voor. Het in het Belastingplan 2026 opgenomen tariefspad, dat zou uitkomen op € 117,10 per ton in 2035, wordt vervangen door een tarief dat oploopt van € 64,00 per ton in 2028 naar € 81,00 per ton vanaf 2030. Hoewel hiermee een deel van de voorgenomen lastenverzwaring wordt teruggenomen, blijft sprake van een aanzienlijke tariefstijging ten opzichte van het huidige niveau € 40,85 (2026). Voor de afvalsector biedt dit enerzijds verlichting ten opzichte van de eerdere plannen, maar anderzijds blijft de prikkel om afvalstromen verder te verduurzamen onverminderd aanwezig.

Afvalstoffenbelasting - tarief storten met ontheffing
Met het Belastingplan 2026 werd al een afzonderlijk tarief voor storten met ontheffing geïntroduceerd, bedoeld om de prikkel te beperken om afval te storten in plaats van te laten verbranden. In het Belastingplan 2027 wordt voorgesteld om ook dit tarief aan te passen. Uitgangspunt blijft dat storten met ontheffing fiscaal zwaarder wordt belast dan verbranden. Het tarief voor storten met ontheffing blijft daarom € 10 per 1.000 kilogram hoger dan het effectieve tarief voor verbranding. Daarbij wordt aangesloten bij het effectieve verbrandingstarief, dat bestaat uit de gecombineerde last van de afvalstoffenbelasting en de CO2-heffing industrie. Hiermee zet het kabinet de fiscale prikkel om afvalverwerking hoger op de afvalhiërarchie te bevorderen voort.

CO2-heffing industrie
Het tarief van de CO2-heffing voor afvalverbrandingsinstallaties wordt verhoogd van €103,66 naar €129,15. Daarnaast stijgen de tarieven van deze heffing in de toekomst minder snel: het voorgestelde tariefniveau wordt niet in 2030 bereikt, maar pas in 2035.

CO2-heffing glastuinbouw
In de Overige fiscale maatregelen 2027 wordt verduidelijkt dat bij samenwerkingsverbanden zonder rechtspersoonlijkheid, zoals maatschappen en vennootschappen onder firma, de belastingplicht voor de CO₂-heffing glastuinbouw rust op het samenwerkingsverband dat het glastuinbouwbedrijf drijft. Er vindt geen toerekening plaats aan de afzonderlijke maten of vennoten. De omvang van de verschuldigde heffing verandert hierdoor niet. Voorgesteld wordt aan deze verduidelijking terugwerkende kracht te verlenen.

Energiebelastingtarieven voor de glastuinbouw
Binnen de energiebelasting geldt momenteel al een verlaagd tarief voor aardgas dat aan de glastuinbouw wordt geleverd tot en met 1 miljoen m3 aardgas. Dit verlaagde tarief wordt stapsgewijs afgebouwd. In de periode tussen 2025 en 2034 groeit het toe naar het reguliere energiebelastingtarief voor aardgas.

Op 1 januari 2027 treedt de bijmengverplichting voor groen gas in werking. Het kabinet wil de glastuinbouwsector hiervoor compenseren door de energiebelastingtarieven voor de glastuinbouw in 2027 te verlagen voor een verbruik tot 10 miljoen m³ aardgas, mits bij de levering van het aardgas een bijmengverplichting voor groen gas van toepassing is.

Vliegbelasting
Een differentiatie in de vliegbelasting was al opgenomen in het Belastingplan 2026, met ingangsdatum 1 januari 2027. Het kabinet wil vluchten van verschillende afstanden verschillend belasten. Aanvankelijk was het idee om € 31,04 te heffen bij korte vluchten (ca. < 2.000 kilometer), €49,87 bij middellange vluchten (ca. 2.000 tot 5.00 kilometer) en € 74,81 bij lange vluchten (ca. > 5.500 kilometer). De staatssecretaris stelt nu echter voor om het tarief voor lange vluchten te verlagen naar € 59,43. Deze wijziging volgt uit een tariefverlaging in onze buurlanden Duitsland en België. Nederland wil de vliegbelasting hiermee harmoniseren en zo een gelijker speelveld creëren met de omliggende landen.

Het tarief van de vliegbelasting hangt vanaf 1 januari 2027 af van de eindbestemming van de passagier Bij het ontbreken van een vervoersovereenkomst, bijvoorbeeld bij privévluchten met een eigen vliegtuig, kan de eindbestemming met het vliegplan worden aangetoond. Dit voorkomt dat automatisch het hoogste tarief geldt.

Tijdelijke verlaging van de motorrijtuigenbelasting voor bestelauto’s en vrachtauto’s
Het kabinet stelt voor de motorrijtuigenbelasting voor bestelauto’s van ondernemers tijdelijk te halveren en voor vrachtauto’s tijdelijk op nihil te stellen. De maatregel werkt terug tot en met 1 juli 2026 en geldt tot en met 31 december 2026. Vanaf 1 januari 2027 geldt de reguliere tariefstructuur.

Carbon Border Adjustment Mechanism
Bestaande verbodsbepalingen voor het Carbon Border Adjustment Mechanism (CBAM) worden in de Wet milieubeheer opgenomen. Ook wordt handhaving mogelijk van de meldplicht voor gewijzigde registratiegegevens van geaccrediteerde onafhankelijke personen die informatie over buitenlandse koolstofprijzen certificeren. Daarnaast komt een grondslag voor gegevensverstrekking door de Belastingdienst op verzoek van de Nederlandse Emissieautoriteit (NEa), voor de beoordeling van aanvragen voor toelating als CBAM-aangever.

Verder worden de Nederlandse boetebepalingen aangepast aan de versoepelde Europese regels. Lagere boetes worden mogelijk bij een overschrijding van de massadrempel met maximaal 10% of invoer in afwachting van een later afgewezen toelatingsaanvraag. Ook kan de boete worden verlaagd als een toegelaten CBAM-aangever door onjuiste informatie van relevante derden onvoldoende CBAM-certificaten inlevert.

Korting brandstofaccijns
De tijdelijke korting accijns voor diesel zou op grond van het coalitieakkoord per 1 januari 2027 eindigen. Voor benzine zou de accijnskorting nog wel met een jaar worden verlengd tot en met 31 december 2027. Laatstgenoemde maatregel maakt ook deel uit van het Belastingplan 2027. Uit de aanbiedingsbrief blijkt echter dat een nota van wijziging zal worden ingediend, waardoor ook de tijdelijke accijnskorting op diesel voor het jaar 2027 in stand blijft. Daarnaast wordt voorgesteld om de accijnskorting voor benzine en diesel in 2028 geleidelijker af te bouwen.

Indexatie alcoholaccijns
Het kabinet stelt voor vanaf 1 januari 2027 een jaarlijkse indexatiesystematiek voor alcoholaccijns in te voeren. De indexering sluit aan bij de inflatie. De indexering geldt voor bier, wijn, tussenproducten en overige alcoholhoudende producten. Het minimumbedrag in de bieraccijns wordt overigens niet geïndexeerd, omdat dit gekoppeld blijft aan het tarief van de verbruiksbelasting op alcoholvrije dranken.

Uitvoering nieuw Douanewetboek van de Unie
Het wetsvoorstel Overige fiscale maatregelen 2027 past definities en een delegatiegrondslag in de Algemene douanewet aan om het nieuwe Douanewetboek van de Unie (DWU) te kunnen uitvoeren. Dit loopt vooruit op een bredere aanpassing van de wet.

Daarnaast wordt geregeld dat de Douane de afhandelingsvergoeding van de Unie via bestaande procedures in rekening kan brengen en innen. Deze vergoeding betreft de behandeling van verzoeken om goederen bij afstandsverkopen in het vrije verkeer te brengen. De verplichte inning gaat volgens de toelichting naar verwachting medio november 2026 in.

Parlementair behandelschema voor het Pakket Belastingplan 2027.

De Tweede Kamer heeft het behandelschema voor het Pakket Belastingplan 2027 vastgesteld.

15 september 2026

Indiening Pakket Belastingplan 2027.

21 september 2026

Technische briefing ministerie van Financiën.

1 oktober 2026

Inbreng voor het verslag.

8 oktober 2026

Ontvangst van de nota naar aanleiding van het verslag.

12 oktober 2026

Eerste wetgevingsoverleg, eerste termijn van de Kamer.

19 oktober 2026

Schriftelijke antwoorden op vragen uit het eerste wetgevingsoverleg.

26 oktober 2026

Tweede wetgevingsoverleg, eerste termijn van de regering en tweede termijn Kamer.

4 november 2026

Eerste termijn van de plenaire behandeling.

10 november 2026

Vervolg van de plenaire behandeling.

11 november 2026

Brief met de beoordeling van moties en amendementen.

12 november 2026

Stemmingen.

   

Eerste Kamer

 

24 november 2026

Aanvang schriftelijke behandeling.

7 en 8 december 2026

Plenaire behandeling.

15 december 2026

Stemming.

 

Key topics
  • Box 1: tariefverhoging en inflatiecorrectie.
  • Box 3: onzekerheid en mogelijke oplossingsrichtingen.
  • Start-ups & scale-ups: nieuwe aandelenoptiefaciliteit.
  • Vennootschapsbelasting: wijzigingen rond valutaresultaten en bedrijfs­splitsingen.
  • Pillar 2: veilige havenregels.
  • Reiskosten: verhoging van de onbelaste kilometervergoeding.
  • Mobiliteit: wijzigingen in vliegbelasting en brandstofaccijns.
  • Milieubelastingen: verhoging van de belasting op leidingwater
  • Overdrachtsbelasting: lager tarief voor niet-hoofdverblijfwoningen.
  • Woningcorporaties: verruiming van de renteaftrek vanaf 2028.
  • Overheidsfinanciën: begroting, uitgaven en staatsschuld.

Tax Nieuws

Meld je aan voor onze tweewekelijkse Tax Alerts en blijf op de hoogte van de laatste nationale (Nederlandse) en internationale fiscale ontwikkelingen, waaronder vennootschapsbelasting, inkomstenbelasting, btw, douane & handel en meer.