Bookmark E-mail Print deze pagina

Sterftetafels van het Actuarieel Genootschap en toepassing van IFRS

In augustus 2010 publiceerde het Actuarieel Genootschap de lang verwachte prognosetafels met betrekking tot de levensverwachting van de Nederlandse bevolking. De tafels proberen zo goed mogelijk rekening te houden met de ontwikkeling in de sterftetrend en zijn dynamisch van aard. DNB verwacht dat deze tafels door pensioenfondsen worden toegepast in het kader van het door haar uitgevoerde prudentiële toezicht. Betekent dit nu ook dat de tafels verplicht moeten worden toegepast onder IFRS? Dit artikel gaat in op deze vraag.

Inleiding

In de nieuwe Prognosetafel 2010-2060 van het Actuarieel Genootschap (AG) worden basisgegevens van het CBS gebruikt en worden recente inzichten in de ontwikkeling van de sterftetrend verwerkt. De uitkomsten van de nieuwe Prognosetafel 2010-2060 van het Actuarieel Genootschap (AG) laten een duidelijke stijging van de levensverwachting zien ten opzichte van de uitkomsten van de AG Prognosetafel 2005–2050. De stijging in levensverwachting is ongeveer drie jaar en treedt zowel bij mannen als vrouwen op.

Een pensioenfonds moet de omvang van de verwachte uitgaande kasstromen vaststellen op basis van verwachte marktontwikkelingen en voor het fonds prudente verzekeringstechnische grondslagen waaronder begrepen de voorzienbare trend in overlevingskansen (conform Besluit FTK, art 2, derde lid). Het is belangrijk dat fondsen uitgaan van recente prognosetafels en inzichten voor een actueel beeld. DNB verwacht daarom van fondsen dat zij bij het vaststellen van hun verplichtingen rekening houden met de meest recent door het AG gepubliceerde prognosetafels.

De impact op een gemiddeld pensioenfonds wordt in totaliteit geschat op een percentage tussen de vijf en zeven procent, in vergelijking met de AG Prognosetafel 2007. Veel financiële instellingen (pensioenfondsen en pensioenverzekeraars) hebben bij de inschatting van hun voorzieningen eind 2009 al gedeeltelijk rekening gehouden met deze ontwikkelingen in overlevingskansen. De prognosetafel geldt voor de gehele Nederlandse populatie. De netto impact op de financiële instelling zal daarom per instelling sterk verschillen vanwege de kenmerken van de specifieke verzekerde populatie van de instelling.

Toepassing op basis van IFRS
De standaarden van de IASB hebben op zich niets te maken met het Financieel Toetsingskader (FTK) van de Pensioenwet (PW) en het daarop gebaseerde prudentiële toezicht van DNB. De desbetreffende IFRS (IAS 19) kent immers een eigen set aan waarderingsregels voor de bepaling van de pensioenverplichting. Tijdens de kredietcrisis konden er grote verschillen worden genoteerd tussen de pensioenverplichting op basis van IFRS- en de FTK-verplichting vanwege het snel toenemende verschil in de te hanteren (en voor de berekening zo zwaarwegende) discontovoeten. Het kon zo maar gebeuren dat een pensioenfonds tegelijkertijd een dekkingstekort kende volgens de FTK-normen en in een overschotsituatie verkeerde volgens IAS 19. In het ene stelsel diende het fondsbestuur een herstelplan te ontwikkelen om het (FTK)tekort in te lopen terwijl onder IFRS de afweging moest worden gemaakt of het overschot al dan niet geactiveerd diende te worden op de balans van de aangesloten onderneming. Een welhaast surrealistische illustratie van het bestaan van ‘twee pensioenwaarheden’ tegenover elkaar.

Met betrekking tot de waardering kent IFRS het volgende uitgangspunt:
IAS 19.73 “Actuarial assumptions are an entity’s best estimates of the variables that will determine the ultimate cost of providing post-employment benefits. Actuarial assumptions comprise:
a) demographic assumptions about the future characteristics of current and former employees (and their dependants) who are eligible for benefits. Demographic assumptions deal with matters such as:
i. mortality, both during and after employment; […]”

Het gaat derhalve om de beste schatting van de uiteindelijke kosten ter afwikkeling van de pensioenverplichting. Ook moeten de demografische veronderstellingen (waaronder sterfte) worden bepaald op basis van toekomstige kenmerken van actieve werknemers en ex-werknemers. Wij zijn van mening dat op grond van deze bepalingen de beste schatting van de sterftetrends meegenomen dient te worden in de berekening van de pensioenverplichting en dat daartoe de laatste prognosetafel van de AG als uitgangspunt dient te worden gebruikt. Wat dat betreft zien we geen verschil tussen het prudentieel kader van DNB (“Het is belangrijk dat fondsen uitgaan van recente prognosetafels en inzichten voor een actueel beeld”) en het bovenstaande ‘best estimate-uitgangspunt’ van IAS 19.73.

In de in 2010 gepubliceerde exposure draft (ED/2010/3 – Defined Benefit Plans – Proposed Amendments to IAS 19) wordt IAS 19.73 als volgt geamendeerd (onderstrepingen geven de voorgestelde amenderingen weer):
“….Demographic assumptions deal with matters such as:
(i) current estimates of the expected mortality rates of plan members, both during and after employment;
….”

In paragraaf 93 van de Basis for Conclusions wordt deze amendering als volgt gemotiveerd:

“The exposure draft proposes to make explicit in paragraph 73(a)(i) that the mortality assumptions used to determine the defined benefit obligation are current estimates of the expected mortality rates of plan members, both during and after employment. In the Board’s view, current estimates of mortality rates provide the best estimate of the amount that reflects the ultimate cost of settling the defined benefit obligation.” (onderstreping toegevoegd).

In de Exposure Draft wordt dus geëxpliciteerd wat eerder op basis van het ‘best estimate’-beginsel impliciet geregeld was. Dit mag een verdere onderbouwing zijn van ons standpunt dat de meest recente prognosetafel van de AG ook onder IFRS toegepast dient te worden.

Leeftijdterugstellingen en overige sterftecorrecties

De prognosetafel geldt voor de gehele Nederlandse populatie. Volgens het prudentieel toetsingskader moet er derhalve nog een correctie plaatsvinden op basis van de specifieke karakteristieken van deelnemerspopulatie om zo te komen tot voor het pensioenfonds (verzekerde regeling) prudente verzekeringstechnische grondslagen. Er wordt over het algemeen uitgegaan dat een deelpopulatie ‘werkenden’ (zoals de actieve deelnemers in het pensioenfonds) langer leeft dan de totale bevolking. Actuarissen geven deze correcties vorm door het toepassen van generieke leeftijdsterugstellingen van bijvoorbeeld 1 jaar. Dit houdt in dat ten behoeve van de sterftekansberekening de leeftijd van de deelnemers met een jaar wordt verminderd waardoor de uiteindelijke pensioenverplichting zal stijgen. Er worden ook meer verfijnde sterftecorrectietafels toegepast indien meer gegevens over de deelnemerspopulatie voorhanden zijn. Hoe dan ook, ook voor deze correcties geldt dat ze gebaseerd moeten zijn op de beste schattingen van de sterfterisico’s van de specifieke deelnemerspopulatie. IAS 19.73 spreekt in dit verband over “future characteristics of current and former employees (and their dependants)” en dus over de specifieke populatie waardoor een correctie ten opzichte van algemene populatie benodigd is. Als deze gegevens niet voorhanden zijn of als de deelnemerspopulatie simpelweg te klein is, zijn generieke leeftijdsterugstellingen een alleszins aanvaardbare ‘proxy’ zowel onder het prudentiële kader als onder IFRS.

Meer informatie

Prof. Dr. Ralph ter Hoeven RA (AAC)
Martin Delsman Msc en Sebastiaan de Leeuw den Bouter (beide: FAS; Actuariaat & Employee Benefit Services)

Deloitte RSS feed  Deloitte Hyves  Deloitte YouTube  Deloitte Google+  Deloitte Facebook  Deloitte LinkedIn  Deloitte Twitter 

Material on this website is © 2012 Deloitte Global Services Limited, or a member firm of Deloitte Touche Tohmatsu Limited, or one of their affiliates. See legal for copyright and other legal information.

Deloitte refers to one or more of Deloitte Touche Tohmatsu Limited, a UK private company limited by guarantee, and its network of member firms, each of which is a legally separate and independent entity. Please see deloitte.nl/about for a detailed description of the legal structure of Deloitte Touche Tohmatsu Limited and its member firms.

In The Netherlands the services are provided by independent subsidiaries or affiliates of Deloitte Holding B.V., an entity which is registered with the trade register in The Netherlands under number 40346342.