KMO - Vijf aandachtspunten inzake managementvergoedingen |
Het doorrekenen van managementvergoedingen komt veelvuldig voor binnen vennootschapsgroepen. Het risico bestaat evenwel dat belastingadministratie hierin een techniek ziet om winsten onderling door te schuiven en op die manier de belastingtoestand op groepsniveau te optimaliseren. De fiscus poogt de oprechtheid van de vergoedingen dan ook regelmatig aan te vechten, getuige de uitgebreide rechtspraak rond de materie. Aangezien het veelal om aanzienlijke bedragen gaat, is een onderbouwde verantwoording van de betaalde fees van cruciaal belang.
De belastingadministratie werpt meestal op dat er tegenover de betaalde vergoedingen geen werkelijk geleverde prestaties staan, waardoor de overeenkomstige kost op basis van artikel 49 WIB 1992 niet aftrekbaar is. Hierna volgt, op basis van (recente) rechtspraak, een overzicht van enkele aandachtspunten die in acht genomen moeten worden bij de toekenning van management fees.
1. Opstellen managementovereenkomst
In het kader van managementvergoedingen, is het absoluut noodzakelijk dat er een contract gesloten wordt tussen de partijen. Daarenboven dient deze op zijn minst volgende elementen te bevatten:
- Een specifieke omschrijving van de te leveren prestaties (niet te vaag);
- Een duidelijke formulering van het bedrag van de management fees.
Het hof van beroep te Gent (15/12/2009) oordeelde dat er geen werkelijke managementprestaties werden geleverd in een geval waarin er met betrekking tot de uitbetaalde vergoedingen geen schriftelijke overeenkomst bestond met daarin een taakomschrijving. Bovendien gaven de facturen maar een zeer vage aanduiding, zonder omschrijving van de prestaties, en ontbrak elke schriftelijke rapportering. In casu was het eveneens niet duidelijk op welke basis de forfaitair bepaalde en gefactureerde vergoedingen werden berekend. De betaalde management fees werden in hun totaliteit verworpen op basis van artikel 49 WIB 1992 (zie in dit verband ook Antwerpen, 06/03/2012).
Niet enkel de opmaak van de overeenkomst op zich is cruciaal, ook de effectieve en volledige naleving ervan is vereist (zie Antwerpen, 18/05/1999).
2. Vermijden van ‘dubbel gebruik’
Bij de concrete invulling van de taakomschrijving dient specifiek aandacht besteed te worden aan het feit dat de betreffende vennootschap niet reeds vergoedingen betaald voor identieke of gelijkaardige prestaties.
Een typisch voorbeeld hiervan is dat er in de managementovereenkomst opdrachten bevat die behoren tot de taken van de raad van bestuur, terwijl er aan de betrokken vennootschap reeds een afzonderlijke bestuursvergoeding wordt toegekend. Zo is ook een geval bekend waarbij in de managementovereenkomst een specifieke opdracht werd omschreven als “het aantrekken van klanten en het sluiten van commerciële contracten”, terwijl er daarnaast reeds een agentuurovereenkomst tussen de partijen bestond.
In eerder genoemd arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen, werd in de managementovereenkomst opgenomen dat er onder meer bijstand verleend zou worden bij het vervullen van sociale, boekhoudkundige, fiscale en financiële zaken. De managementvergoedingen werden mede verworpen omdat er nog facturen ontvangen werden van een accountantskantoor die ter zake bijstand verleende.
3. Tewerkstelling gekwalificeerd personeel
In een geval waarbij twee vennootschappen een overeenkomst sloten met betrekking tot “het samenwerken ter commercialisering van producten”, oordeelde het Hof van Beroep te Gent (24/11/2009) dat de in dit kader onderling gefactureerde bedragen niet als aftrekbare kosten konden aangemerkt worden. Eén van de elementen die bij de beslissing in beschouwing werden genomen, was dat het personeel niet gekwalificeerd was om de prestaties in kwestie te leveren.
4. Aanrekening van “marktconforme” vergoeding
Zoals aangehaald, is het absoluut aan te raden om de overeengekomen vergoeding zo gedetailleerd mogelijk te formuleren in de overeenkomst. Bovendien moet de vergoeding steeds marktconform worden vastgesteld (“at-arm’s-lenght”-principe). In wezen betekent dit dat de vergoeding evenredig moet zijn met de geleverde prestaties.
Concreet wordt in dit verband het risico gelopen dat het overdreven gedeelte van de vergoeding als een verkregen abnormaal of goedgunstig voordeel wordt beschouwd bij de verkrijger ervan (minimum belastbare basis, geen fiscale aftrekken toegestaan). Daarenboven kan de administratie nog steeds de aftrekbaarheid van de kost op basis van artikel 49 WIB 1992 beoordelen bij de uitkerende vennootschap.
Ook sterke schommelingen in de toegekende fees doorheen de jaren vallen te vermijden. Dit voornamelijk in situaties waarbij de vergoedingen (in addenda) worden aangepast in functie van het resultaat van het boekjaar.
5. Opgelet met bestaande mandaten in eigen naam
Het Hof van Beroep te Antwerpen verwierp in een recent arrest (06/03/2012) de betaalde vergoedingen aan een managementvennootschap in een zaak met volgende concreet voorliggende elementen:
- Een echtpaar richt een vennootschap op die horecazaken exploiteert, de man wordt tot statutair zaakvoerder benoemd;
- Enkele jaren later wordt een tweede vennootschap opgericht, waarvan beide echtgenoten bestuurder zijn;
- Laatstgenoemde vennootschap factureert vervolgens maandelijkse een forfaitaire vergoeding aan de exploitatievennootschap voor de bijstand in het beheer van een horecazaak.
Het Hof weigerde de aftrek omdat de facturen niet voldoende werden gedetailleerd en aangezien het niet duidelijk was wie juist de prestaties had geleverd (het echtpaar in eigen naam of als bestuurders van de managementvennootschap).
Dit arrest ligt in lijn met de rechtspraak waarbij het reeds volstaat dat de management- en holdingvennootschap vertegenwoordigd wordt door dezelfde personen als degene die ook de operationele vennootschap leiden, om de aftrekbaarheid van de vergoedingen te weigeren.
Conclusie
Er dient beklemtoond te worden om aan de toekenning van intercompany management fees de nodige aandacht te besteden. De fiscus ziet namelijk nauwlettend toe op de oprechtheid van de betaalde vergoedingen. Het valt dan ook absoluut aan te raden om de vermelde aandachtspunten in acht te nemen. De risico’s zijn immers niet te onderschatten. Het feit dat de management fees als niet aftrekbaar worden beschouwd bij de uitkerende vennootschap, neemt niet weg dat de vergoedingen ook tot de belastbare winst behoorden van de ontvangende vennootschap (dubbele belasting).
In dit kader kan eveneens gewezen worden op de onverdeeldheid die in de rechtspraak heerst over de al dan niet toepasbaarheid van de 309 %-aanslag op fictief gefactureerde managementprestaties (zie o.a. pro: Antwerpen, 11/10/2011 en 06/12/2011; contra: Gent, 11/09/2012).
Gepubliceerd op 12/02/2013.