KMO - Beëindiging vruchtgebruik: Abnormaal of goedgunstig voordeel? |
Recent werd er door het hof van beroep te Bergen een interessant arrest geveld over de beëindiging van een vruchtgebruik, meer bepaald over de kosteloze verkrijging door de blote eigenaar van verbeteringen en verbouwingen die de vennootschap (vruchtgebruiker) heeft uitgevoerd tijdens het vruchtgebruik.
In het besproken arrest werd er geoordeeld of de kosteloze aanwas bij het einde van het vruchtgebruik van de uitgevoerde werken tijdens het vruchtgebruik kunnen worden beschouwd als een verstrekt abnormaal of goedgunstig voordeel in hoofde van de vennootschap.
In casu voerde de vennootschap/vruchtgebruiker tijdens de periode van het vruchtgebruik verschillende aanpassings- en verbeteringswerken uit. Bij de beëindiging van het vruchtgebruik, wilde de fiscus over gaan tot taxatie in hoofde van de vennootschap aangezien ze voor de waarde van de verbeteringswerken, een abnormaal of goedgunstig voordeel zou hebben verstrekt aan de blote eigenaar.
De vennootschap verweert zich hiertegen en dit op basis van de artikelen in het burgerlijke wetboek die de figuur van het vruchtgebruik bespreken (artikel 599 BW). Finaal gaat het hof gedeeltelijk akkoord met de zienswijze van de vennootschap.
Zich baserend op het burgerlijk wetboek concludeert het hof van beroep te Bergen dat er een onderscheid dient te worden gemaakt tussen enerzijds de “verbeteringswerken” die de vruchtgebruiker heeft aangebracht en de “overige werken”.
Als verbeteringswerken worden aanzien: werken om het onroerend goed te verbeteren of werken om het genot uit het onroerend goed te verhogen. Deze werken worden gekenmerkt door het feit dat hun kostprijs beperkt is tot het bedrag van de (jaarlijkse) inkomsten die door het vruchtgebruik worden voortgebracht. Voor de bepaling van deze jaarlijkse inkomsten baseert het hof te Bergen zich op artikel 47 W. Reg.
Finaal concludeert het hof dan ook dat bij de beëindiging van het vruchtgebruik geen vergoeding verschuldigd is door de blote eigenaar voor deze verbeteringswerken en dit in zoverre dat de bovengenoemde grens niet overschreden wordt.
Werken die niet aan de bovenvermelde definitie voldoen en aldus de “jaarlijkse inkomsten van het vruchtgebruik” (art 47 W. Reg.) te boven gaan, dienen bij de beëdiging van het vruchtgebruik wel vergoed te worden. Het betreft hier de materialen, het arbeidsloon, …
Rekening houdende met dit arrest alsook met de huidige teneur binnen de fiscale wetgeving (toepassing van geheime commissielonen, …) is het dan ook aan te raden om met de nodige voorzichtigheid te werk te gaan bij het aflopen van dergelijke vruchtgebruikconstructies.
Gepubliceerd op 08/01/2013.
Laatst bijgewerkt: