KMO - Thuiskantoor altijd een vaste inrichting? |
Thuiswerken heeft volgens verschillende studies een niet te verwaarlozen positieve impact op de economie. Niet alleen wordt verwacht dat de kost gerelateerd aan kantoorruimtes naar beneden zou gaan, maar eveneens zou de productiviteit en efficiëntie van de medewerkers er op vooruit gaan. Daarnaast wordt een vermindering van files, luchtvervuiling en verkeersslachtoffers verwacht.
Het is dus geen verrassing dat reeds talloze werknemers op dagelijkse basis een deel van hun beroepsactiviteit thuis uitoefenen. Hiervoor beschikken ze al dan niet over een afzonderlijke bureelruimte of ‘thuiskantoor’. Het is de aanwezigheid van dit thuiskantoor wat in bepaalde situaties aanleiding kan geven tot (negatieve) fiscale gevolgen.
Wanneer we te maken hebben met grensoverschrijdend thuiswerken, i.e. wanneer een werknemer zijn thuiskantoor zich in een ander land bevindt (e.g. België) dan waar zijn werkgever gevestigd is (e.g. Nederland), bestaat er echter het risico dat het thuiskantoor van de werknemer een ‘materiële’ vaste inrichting vormt voor zijn werkgever. Ten gevolge van de aanwezigheid van een vaste inrichting, zal de buitenlandse vennootschap-werkgever in België belastbaar worden op de inkomsten die ze in België verkrijgt via het thuiskantoor (lees: door de werkzaamheden) van de werknemer en een aangifte niet-inwoners moeten indienen in België. In deze bijdrage wordt onderzocht wanneer er al dan niet sprake kan zijn van een materiële vaste inrichting in hoofde van de werkgever.
Volgens artikel 5, § 1 van het OESO - Modelverdrag kan onder een vaste inrichting worden verstaan: “een vaste bedrijfsinrichting met behulp waarvan de werkzaamheden van een onderneming geheel of gedeeltelijk worden uitgeoefend”.
In deze zinsnede worden onderstaande essentiële elementen geacht vervat te zitten:
- De werkgever moet over een bedrijfsinrichting beschikken in de andere staat;
- De bedrijfsinrichting moet een duurzaam karakter hebben;
- De werkgever moet zijn werkzaamheden in de andere staat uitoefenen met behulp van de inrichting;
- De werkzaamheden die uitgeoefend worden in de vaste inrichting zijn niet beperkt tot voorbereidende of ondersteunende activiteiten (cf. artikel 5, § 3 van het OESO - Modelverdrag).
In het kader van een thuiskantoor is voornamelijk de vereiste beschikkingsmacht van de werkgever over het thuiskantoor van doorslaggevend belang. Hierbij stelt zich immers de belangrijke vraag of een werkgever hoe dan ook kan ‘beschikken’ over het (privé) thuiskantoor van de werknemer.
Op basis van de laatst gepubliceerde discussienota van de OESO m.b.t. vaste inrichtingen en de in dit kader gepubliceerde voorafgaande beslissingen, kan volgend onderscheid gemaakt worden:
- Wanneer het gebruik van het thuiskantoor niet expliciet omschreven is en geen essentiële voorwaarde uitmaakt van de arbeidsovereenkomst, is de vereiste beschikkingsmacht in hoofde van de werkgever afwezig en kan er bijgevolg geen sprake zijn van een materiële vaste inrichting;
- Wanneer de werkgever echter de werkgever oplegt zijn werkzaamheden uit te voeren vanuit het thuiskantoor op een welbepaald adres, bezit de werkgever wel over de vereiste beschikkingsmacht en is er wel sprake van een thuiskantoor.
Hierbij dient opgemerkt te worden dat, indien uit de praktijk blijkt dat de werknemer toezeggingen gedaan heeft omtrent het verplicht gebruik van het thuiskantoor, vooralsnog gesteld kan worden dat de vereiste beschikkingsmacht aanwezig is. Of deze toezegging opgenomen is in de arbeidsovereenkomst of uit eender welk ander document kan afgeleid worden, is van geen belang.
In dit kader dient men ook stil te staan bij de al dan niet aanwezigheid van uiterlijke tekenen en indiciën die de beschikkingsmacht van het thuiskantoor zouden kunnen toerekenen aan de werkgever zoals e.g. melding van het thuisadres op naamkaartjes, de website, bedrijf gerelateerde correspondentie of de (uiterlijke) melding van de naam van de werkgever op het thuisadres van de werknemer.
Op basis van deze interpretatie, lijkt het mijns inziens haalbaar om de specifieke feiten van een thuiskantoor situatie zo te modelleren dat er, op basis van de voorkeur van de klant, al dan niet sprake is van een vaste inrichting in hoofde van de werkgever.
Gepubliceerd op 07/01/2013.
Laatst bijgewerkt: