This site uses cookies to provide you with a more responsive and personalised service. By using this site you agree to our use of cookies. Please read our cookie notice for more information on the cookies we use and how to delete or block them

Bookmark E-mailadres Print deze pagina

KMO - Investeringsreserve vs. aftrek voor risicokapitaal

Auteur: Jarne Boone, Tax & Legal Services

Bij de invoering van de notionele interestaftrek in aanslagjaar 2007 plaatste deze bij de kleine vennootschappen de investeringsreserve direct in haar schaduw. Gegeven de recente inperkingen van de NIA ingevoerd onder Di Rupo I dient men zich de vraag te stellen indien, en voor welke ondernemingen, de NIA nog steeds interessanter is dan de investeringsreserve.

Vanaf aanslagjaar 2004 werd de investeringsreserve ingevoerd om financiering met eigen middelen bij kleine vennootschappen te stimuleren. Om hiervan gebruik te mogen maken dient men te kwalificeren als kleine vennootschap, wat er op neerkomt dat men maximaal één van de drie onderstaande voorwaarden mag overschrijden (op geconsolideerde basis), en dit voor zowel het laatste als het voorlaatste afgesloten boekjaar:

  • Jaargemiddelde van het personeelsbestand: 50
  • Jaaromzet (exclusief btw): 7.300.000 euro
  • Balanstotaal: 3.650.000 euro.

Bovendien leidt een jaargemiddelde van het personeelsbestand groter dan 100 tot een automatische kwalificatie als ‘grote’ onderneming.

Ten opzichte van de in 2007 ingevoerde NIA behelst de investeringsreserve echter 2 belangrijke beperkingen, waardoor deze in ongebruik geraakte:

Uitstel is geen afstel (de onaantastbaarheidsvoorwaarde)

De combinatie van artikel 190 WIB 1992 en artikel 207 WIB 1992 zorgt ervoor dat de investeringsreserve uiteindelijk onderworpen zal worden aan vennootschapsbelasting. Dit enerzijds omdat de investeringsreserve op een afzonderlijke passiefrekening geparkeerd moet worden en daar moet blijven staan, anderzijds omdat er geen fiscale aftrekken kunnen gebruikt worden om de belastbaar geworden reserve te neutraliseren. Concreet komt dit erop neer dat de investeringsreserve ten laatste in het jaar van de afsluiting van de vereffening belast zal worden, of zelfs vroeger indien niet meer voldaan is aan de onderstaande investeringsverplichting.

Investeringsverplichting in kwalificerende activa

Een bijkomende voorwaarde is dat een bedrag gelijk aan de aangelegde investeringsreserve geïnvesteerd dient te worden in kwalificerende activa die men 3 jaar in de vennootschap dient te behouden. Indien dit niet het geval blijkt zal de investeringsreserve a rato van het nog niet afgeschreven gedeelte van de investering alsnog belast worden.

Indien de vennootschap er niet in slaagt binnen de termijn van drie jaar een bedrag gelijk aan de investeringsreserve te investeren in kwalificerende activa, zal de volledige investeringsreserve beschouwd worden als winst van het belastbare tijdperk waarin de termijn van drie jaar verstreken is. Het is belangrijk te vermelden dat er in dat geval een nalatigheidsinterest van 7% per jaar verschuldigd is, gerekend vanaf 1 januari van het jaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd waarvoor de vrijstelling werd toegestaan.

Verder is de investeringsreserve ook beperkt tot een maximum van 18.750 euro per belastbaar tijdperk en omvat ze een cumulverbod met de aftrek voor risicokapitaal; indien men gebruik maakt van de investeringsreserve kan men gedurende deze en de twee volgende perioden geen gebruik maken van de aftrek voor risicokapitaal.

Indien men ten volle gebruik kon maken van de aftrek voor risicokapitaal bleek de investeringsreserve dan ook niet interessant. Zelfs met de forse inperking van de NIA vanaf aanslagjaar 2013 blijft het voor veel vennootschappen interessanter om gebruik te maken van de NIA dan van de investeringsreserve, aangezien de NIA definitief verworven wordt en jaarlijks opnieuw genoten kan worden.

Enkel voor vennootschappen die niet (ten volle) gebruik kunnen maken van de NIA is en blijft het eventueel interessanter om voor de investeringsreserve te opteren. Voorbeelden hiervan zijn kleine holdingvennootschappen, managementvennootschappen met gezinswoning als voornaamste actief, pas opgerichte vennootschappen met laag volstort kapitaal en lage winstverwachtingen in de eerste jaren en vennootschappen met een negatief eigen vermogen die terug met winst aanknopen.

Laatst bijgewerkt:

Material on this website is © 2013 Deloitte Global Services Limited, or a member firm of Deloitte Touche Tohmatsu Limited, or one of their affiliates. See Legal for copyright and other legal information.

Deloitte refers to one or more of Deloitte Touche Tohmatsu Limited, a UK private company limited by guarantee, and its network of member firms, each of which is a legally separate and independent entity. Please see www.deloitte.com/about for a detailed description of the legal structure of Deloitte Touche Tohmatsu Limited and its member firms.

Get connected

 

More on Deloitte
Learn about our site