KMO - Levering of restaurantdienst: beperkt de administratie de interpretatiemogelijkheden van het arrest Manfred Bog? |
De minister heeft op een parlementaire vraag geantwoord waarin werd gevraagd naar het toepasselijke btw-tarief op de bereidingen van frituuruitbaters. Uit dit antwoord blijkt dat de fiscus een zeer ruime interpretatie blijft hanteren van het begrip ‘restaurantdienst’, dit in tegenstelling tot het Europees Hof van Justitie.
Even ter herinnering: op 10 maart 2011 deed het Hof van Justitie uitspraak in het arrest Manfred Bog. Hierin werd gesteld dat wanneer de bereiding van spijs en dranken enkel bestaat uit standaardbereidingen en deze spijs en dranken worden aangeboden in rudimentaire voorzieningen, het gaat om de levering van een goed (= 6% BTW) en niet om een restaurantdienst (=12% BTW). Hieruit volgt dat geval per geval dient te worden nagegaan of de diensten die met de bereiding gepaard gaan overheersen of niet.
De vraag kon dan ook worden gesteld of de bereidingen van een traditionele frituuruitbater in aanmerking komen om, rekening houdende met alle omstandigheden, te worden gezien als een zuivere levering van een goed, ook al verbruikt de consument de goederen ter plaatse?
In het antwoord stelt de minister dat het verstrekken van een maaltijd die wordt genuttigd in een gesloten en eventueel verwarmde ruimte van de frituurexploitant een restaurantdienst is. De enige uitzondering hierop is wanneer (1) de spijzen en dranken genuttigd worden in open lucht (al dan niet onder een luifel of andere bescherming tegen de regen), (2) het gaat om gebruikelijke bereidingen in de frituursector, (3) opgediend in een wegwerpverpakking en (4) zonder bediening aan tafel.
Wanneer een frituuruitbater dus ook andere bereidingen aanbiedt (bv. pasta), dan moeten alle verkopen beschouwd worden als een restaurantdienst. Idem wanneer men zowel de keuze heeft om buiten als binnen in een afsluitbare ruimte te eten.
Er is bijgevolg geen ruimte gelaten door de minister voor enige interpretatie. Er dient te worden gekeken of aan de 4 voorwaarden is voldaan, en niet geval per geval of de geleverde diensten al dan niet overheersen.
Belangrijk hierbij is dat de minister ervan uitgaat dat een afgesloten ruimte nooit kan worden gezien als een rudimentaire voorziening, dit toch in tegenstelling tot wat werd gesteld in het arrest Manfred Bog.
Dit antwoord is dan ook slechts een eerste, kleine aanpassing aan de strenge administratieve interpretatie dat er in principe steeds sprake zal zijn van een restaurantdienst bij verbruik te plaatse. Het laat nog maar weinig ruimte voor interpretatie van het arrest Manfred Bog en wil de mogelijke negatieve impact van het arrest op de btw-ontvangsten zo klein mogelijk houden. De vraag is dan ook hoelang de administratie kan vasthouden aan deze interpretatie?
Gepubliceerd 07/01/2013.
Laatst bijgewerkt: