KMO - Eerste rulings inzake de nieuwe antimisbruikbepaling |
Zoals verduidelijkt in de circulaire van 4 mei 2012 kan de Dienst Voorafgaande Beslissingen (DVB) zich in het kader van de nieuwe antimisbruikbepaling niet uitspreken over de toepassing van dit artikel, maar wel of de keuze voor een rechtshandeling, of een geheel van rechtshandeling dat een zelfde verrichting tot stand brengt, door andere motieven is verantwoord dan het ontwijken van inkomstenbelastingen. De eerste rulings hieromtrent worden reeds afgeleverd waarvan onlangs de eerste werden gepubliceerd.
Recht van opstal i.p.v. handelshuur
In deze eerste ruling werd de handelshuur tussen een echtpaar en hun vennootschap stopgezet en vervangen door een recht van opstal op 20 jaar. Dit werd ingegeven door het voornemen van de vennootschap om op het gehuurde onroerend goed een verdieping bij te bouwen als kantoorruimte. In het kader van een handelshuur zou dit een te ingrijpende werkzaamheid zijn. Volgens de handelshuurwetgeving is het de huurder slechts toegestaan om nuttige werken uit te voeren aan het huurpand in zoverre de kostprijs van deze werken niet hoger is dan drie jaar huur. Bij een zakelijk recht zoals het recht van opstal daarentegen is het bijbouwen van een verdieping wel mogelijk.
Deze reden voor de keuze van een recht van opstal werd door de DVB aanvaard als een ‘ander motief dan het ontwijken van inkomstenbelastingen’ in de zin van artikel 344, §1 WIB92. Het belastingvoordeel in dit geval bestaat er namelijk in dat een recht van opstal de mogelijkheid biedt om meer kosten ten laste te leggen van de vennootschap dan in het geval van een handelshuur, waarbij de eigenaars het risico zouden lopen om te worden belast op een huurvoordeel.
Omtrent het eventueel aanwezig zijn van een voordeel van alle aard bij het einde van het recht van opstal, spreekt de DVB zich niet uit. In de opstalovereenkomst werd namelijk opgenomen dat de gebouwen aan de opstalgevers zullen toekomen tegen een vergoeding die in gemeenschappelijk akkoord zal worden bepaald.
Inbreng van aandelen
In een tweede rulingaanvraag betreffende de belastbaarheid van meerwaarden in de zin van artikel 90, 9°, eerste gedachtestreepje WIB92, werd ook artikel 344, §2 WIB92 betrokken om het geheel van de rechtshandelingen aan de fiscus te kunnen tegenwerpen en om zodoende bij toekomstige dividenduitkeringen door de dochtervennootschappen aan de holding discussie omtrent de verschuldigdheid van roerende voorheffing te vermijden.
Hierbij oordeelt de DVB dat de inbreng van aandelen door natuurlijke personen in een vennootschap wordt verantwoord door volgende niet-fiscale motieven:
- De inbreng is een noodzakelijke stap in de oplossing van een familiale onenigheid die reeds lange tijd de werking van de onderneming verlamt;
- De uitkoop van een andere aandeelhouder is enkel financieel mogelijk op het niveau van de holding;
- De inbreng van de aandelen doet de door de uitkoop ontstane verboden kruisparticipaties dalen beneden de wettelijke grens van 10%;
- De creatie van een holding zorgt er ook voor dat de impact van eventuele aandeelhoudersconflicten wordt beperkt tot het niveau van de holding.
Deze in de rulings aangehaalde motiveringen geven alvast een idee van welke niet-fiscale motieven voldoende sterk zijn om fiscaal misbruik uit te sluiten en vormen een inspiratiebron om gelijkaardige verrichtingen te verantwoorden.
Gepubliceerd op 07/01/2013.
Laatst bijgewerkt: