KMO - Debetrente op rekening courant = creditrente op rekening courant? |
Recent oordeelde de rechtbank van eerste aanleg van Bergen (Rb. Bergen, 6 december 2012) dat een vennootschap op de creditstand van een rekening-courant van een bestuurder dezelfde rente mag toepassen als degene die de administratie hanteert voor de berekening van een voordeel van alle aard op een debetstand rekening-courant.
In het voorliggende geval paste de vennootschap een rentevoet toe van 8,2%, namelijk exact dezelfde interest als diegene die luidens artikel 18 KB/WIB 92 toepasselijk is op niet-hypothecaire leningen zonder vaste looptijd. De fiscus oordeelde dat de door de belastingplichtige toegepaste rente de marktrente overschreed. Bijgevolg werd een deel van de interest geherkwalificeerd in een dividend.
De rechtbank was het hier niet mee eens en oordeelde dat er geen enkele reden was om af te wijken van de forfaitaire berekeningswijze zoals geformuleerd in art. 18 KB/WIB. Het voordeel in natura dat voortvloeit uit de debet rekening-courant wordt berekend tegen de werkelijke waarde in hoofde van de begunstigde (art. 36, eerste lid WIB) en de forfaitaire raming van dit voordeel wordt gebaseerd op de marktrentevoet aldus het antwoord op een parlementaire vraag in 2009. De rechtbank besluit: behalve het feit dat de situatie in het geval van een credit-rekening courant omgekeerd is, blijven de overige elementen ongewijzigd. De rechter voegt er nog aan toe dat in de schoot van een onderneming een creditstand rekening-courant economisch gelijk is aan een debetsaldo.
De rechtbank van Hasselt (Rb. Hasselt, 17 juni 2010) besliste ook al in dezelfde zin in een gelijkaardige zaak. Merken we op dat de redenering van de rechtbank echter anders in elkaar stak. Het uitgangspunt in deze zaak was dat de interesten slechts aftrekbaar zijn in de mate dat het tarief niet hoger is dan de geldende ‘marktrente’ waarnaar wordt verwezen in artikel 55 WIB van het WIB 92. In het voorliggende geval kon het voorschot dat de bestuurder aan zijn vennootschap toegestaan had, aldus de rechtbank, vergeleken worden met een kaskrediet.
Aangezien de betaalde rente overeenstemde met de gemiddelde rentevoet die de Nationale Bank van België voor dergelijke kredieten hanteerde, kwam de rechtbank tot het besluit dat de administratie de toegepaste rentevoet ten onrechte als abnormaal bestempelde, temeer daar de administratie in de omgekeerde situatie (vennootschap verstrekt voorschot aan mandataris) een nagenoeg identiek tarief van 7,4% hanteerde (art. 18 KB/WIB92).
We benadrukken dat het recente vonnis slechts een uitspraak betreft van een rechtbank van eerste aanleg en nog niet veralgemeend kan worden. Wellicht zal de fiscus hiertegen in beroep gaan.
Wordt vervolgd…
Gepubliceerd op 26/02/2013.