This site uses cookies to provide you with a more responsive and personalised service. By using this site you agree to our use of cookies. Please read our cookie notice for more information on the cookies we use and how to delete or block them

Bookmark E-mailadres Print deze pagina

KMO - Het begrip “onroerende verhuur” inzake BTW sinds het Temco-arrest

Auteur: Charlotte Schockaert & Bert Guenter, Tax & Legal Services

Ingevolge art. 18 W.BTW is btw verschuldigd over elke dienst die door een belastingplichtige onder bezwarende titel wordt verricht. Hierop worden een aantal vrijstellingen voorzien, waaronder de verhuur van uit hun aard onroerende goederen (art. 44, §3, 2° W.BTW).

De vennootschap Temco worstelde met de vraag of haar terbeschikkingstelling van haar onroerend goed aan haar groepsvennootschappen al dan niet vrijgestelde “onroerende verhuur” was? De fiscus was in tegenstelling tot Temco van mening dat het wel degelijk vrijgestelde verhuur was, waardoor er geen BTW gerecupereerd kon worden. Na in eerste aanleg in het ongelijk te zijn gesteld, maakte de fiscus de zaak aanhangig bij het Hof van Beroep te Brussel.

Het Hof van Beroep heeft, om zich een beeld te vormen van wat onder “onroerende verhuur” inzake btw begrepen dient te worden, een prejudiciële vraag gesteld aan het Hof van Justitie. Dit Hof heeft in zijn arrest van 18 november 2004 geantwoord dat “het begrip “verhuur van onroerende goederen” er in wezen in bestaat dat een verhuurder een huurder voor een overeengekomen tijdsduur en onder bezwarende titel het recht verleent een onroerend goed te gebruiken als ware hij de eigenaar ervan en ieder ander van het genot van dat recht uit te sluiten.”

Het Hof van Justitie voegt er aan toe dat “het aan de verwijzende rechter staat om alle omstandigheden in aanmerking te nemen waarin de transactie zich afspeelt, teneinde de kenmerkende elementen daarvan te achterhalen en te beoordelen of deze als “(passieve) verhuur van onroerende goederen” in de zin van de Richtlijn kan worden gekwalificeerd.”.

Het Hof van Justitie besloot dan ook dat “de transacties waarbij een vennootschap door middel van verschillende overeenkomsten tegelijkertijd aan verschillende met haar verbonden vennootschappen een precair gebruiksrecht op hetzelfde gebouw verleent tegen betaling van een vergoeding die voornamelijk op basis van de gebruikte oppervlakte wordt vastgesteld “verhuur van onroerende goederen” in de zin van de Richtlijn vormen, wanneer deze overeenkomsten zoals zij worden uitgevoerd, in hoofdzaak de passieve terbeschikkingstelling inhouden van ruimtes of oppervlaktes in gebouwen, tegen een vergoeding die verband houdt met het tijdsverloop.”

Op grond van het arrest van het Hof van Justitie, besloot het Hof van Beroep te Brussel het beroep van de fiscus ongegrond te verklaren. Zij steunde zich op het (enige) argument dat de kwalificatie van “passieve onroerende verhuur” onmogelijk weerhouden kon worden gelet op het niet-exclusieve karakter van de rechten van gebruik die werden toegekend aan de groepsvennootschappen. Het gebruik van de werk- en opslagplaatsen werd immers verdeeld op basis van een in de overeenkomst bepaalde oppervlakte, zonder dat ieder van de gebruikers een exclusief recht hadden op een afgebakende ruimte.

De fiscus was het met dit standpunt weerom niet eens en heeft het Hof van Cassatie gevat. Bij arrest van 6 juni 2013 werd het voormeld arrest van het Hof van Beroep gecasseerd. Cassatie kwam tot haar besluit door te stellen dat het Hof van Beroep onvoldoende rekening had gehouden met alle criteria en omstandigheden eigen aan de zaak en dat zij daarenboven bij haar beoordeling niet-voldoende de definitie van “exclusief bezit” voor ogen had gehouden.

Hoewel we nog niet aan het einde van de Temco-zaak zijn, kunnen we uit deze rechtspraak al een belangrijk besluit trekken: het ‘exclusieve gebruiksrecht’ mag slechts als één van de criteria gezien worden in de beoordeling of we te maken hebben met een vrijgestelde onroerende verhuur of niet. In lijn met het arrest van het Hof van Justitie verwachten we een brede draagwijdte voor het begrip ‘onroerende verhuur’. Belastingplichtigen die hun handelingen graag aan btw onderwerpen zien om recht op aftrek van btw te doen ontstaan, zullen zich niet langer, louter kunnen beroepen op het aspect van het ‘niet exclusieve gebruiksrecht’.

Wordt vervolgd …

 

Gepubliceerd op 24/09/2013.

Material on this website is © 2014 Deloitte Global Services Limited, or a member firm of Deloitte Touche Tohmatsu Limited, or one of their affiliates. See Legal for copyright and other legal information.

Deloitte refers to one or more of Deloitte Touche Tohmatsu Limited, a UK private company limited by guarantee, and its network of member firms, each of which is a legally separate and independent entity. Please see www.deloitte.com/about for a detailed description of the legal structure of Deloitte Touche Tohmatsu Limited and its member firms.

Get connected

 

More on Deloitte
Learn about our site