KMO - Recap auteursrechten na de commotie |
Er is de laatste tijd veel onduidelijkheid ontstaan rond de fiscale behandeling van auteursrechten vanaf 2013. Oorspronkelijk was het de bedoeling de roerende voorheffing op deze inkomsten te verhogen naar 25%, net zoals voor alle andere roerende inkomsten 1. De verhoging van deze “belasting op creativiteit” stuitte echter op veel verzet, en spoedig werd deze intentie dan ook opgeborgen.
Uiteindelijk is volgende regeling van toepassing met betrekking tot roerende voorheffing op auteursrechten vanaf inkomstenjaar 2013 2:
- Auteursrechten tot de grens van 54.890 EUR zijn onderhevig aan 15% roerende voorheffing
- Auteursrechten boven de grens van 54.890 EUR worden onderworpen aan 25% roerende voorheffing
De uiteindelijk verschuldigde personenbelasting wordt dan:
- 15% op de eerste schijf van 54.890 EUR, aangezien deze geacht wordt geen beroepsinkomen te zijn.
- 15% op gedeelte boven 54.890 EUR indien belastingplichtige kan aantonen dat dit gedeelte geen beroepsmatige oorsprong heeft.
- Progressief tarief personenbelasting (25% - 50%) op gedeelte boven 54.890 EUR indien belastingplichtige niet kan aantonen dat dit gedeelte geen beroepsmatige oorsprong heeft.
Merk wel op dat er vanaf aanslagjaar 2013 reeds een aangifteverplichting is voor de auteursrechten. Hierdoor zal op de auteursrechten toegekend vanaf 1 januari 2012 reeds aanvullende gemeentebelasting verschuldigd zijn!
Nieuwe regeling mbt sportclubs
Verder heeft de administratie recentelijk in een circulaire gestipuleerd dat inkomsten verkregen uit de toekenning van een licentie met beperkte looptijd met betrekking tot de uitzending van wedstrijden & andere sportieve manifestaties, in het kader van een contract gesloten tussen de sportfederaties, de aangesloten clubs en de verschillende mediapartners, niet kwalificeren als inkomsten verkregen uit de cessie of de concessie van auteursrechten. (Circ. AAFisc 33/2012, Ci.RH.231/618.520, 26 oktober 2012).
De administratie wijst erop dat deze inkomsten aldus in principe overeenkomstig art.17 §1 3° en 22 §3 WIB92 belastbaar zijn 3.
Om te komen tot het netto-inkomen uit de concessie van onroerende goederen mag de sportclub uiteraard wel de kosten die zijn gedragen om die inkomsten te verkrijgen of te behouden aftrekken. Hier kan de sportclub er voor opteren deze kosten forfaitair te bepalen aan 85%, maar ze kan er ook voor kiezen de werkelijke kosten te bewijzen, waarbij duidelijk gesteld wordt dat de bewijslast bij de sportclub ligt, en de fiscus enkel die kosten aanvaardt die onweerlegbaar met de concessie verbonden zijn.
Indien de gemaakte kosten ook geleid hebben tot andere inkomsten, dienen deze proportioneel over de inkomstenposten verdeeld te worden. De circulaire geeft een 3 stappenplan om te komen tot de werkelijke kosten:
- Onderscheid maken tussen inkomsten uit toekenning licentie en andere inkomsten
- Op elk van de 2 categorieën de onweerlegbare kosten aanrekenen
- Het saldo van de kosten proportioneel verdele
________
1 Met uitzondering van de spaardeposito’s (15% op niet-vrijgesteld gedeelte), Leterme-staatsobligaties (15%), liquidatieboni (10%) en residentiële vastgoedbevaks (15%).
2 Fiscoloog, nr.1320, p1-2
3 Fisc.Act. nr. 41, 29/11-5/12
Gepubliceerd op 08/01/2013.
Laatst bijgewerkt: