This site uses cookies to provide you with a more responsive and personalised service. By using this site you agree to our use of cookies. Please read our cookie notice for more information on the cookies we use and how to delete or block them

Bookmark E-mailadres Print deze pagina

KMO - Meerwaarde op eigen goodwill komt (soms) in aanmerking voor gespreide taxatie

Auteur: Tax & Legal Services

Op grond van artikel 47 WIB 92 kunnen meerwaarden die worden gerealiseerd bij de vervreemding van immateriële en materiële vaste activa, gespreid worden belast als die meerwaarden worden herbelegd op de wijze en volgens de voorwaarden die in dat artikel zijn bepaald, ondermeer dat enkel de meerwaarde op de activa die “sedert meer dan vijf jaar voor hun vervreemding de aard van vaste activa hadden”, voor het stelsel van gespreide belasting in aanmerking komen. Dat betekent dat de activa meer dan vijf jaar voor hun vervreemding voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid moeten zijn gebruikt.

De administratie verdedigt traditioneel het standpunt dat bij de verkoop van goodwill enkel de meerwaarde op goodwill die als dusdanig minstens gedurende vijf jaar werd geactiveerd, voor gespreide belasting in aanmerking komt. De administratie beroept zich daarbij op de tekst van artikel 47 WIB 92 en de wijziging van die bepaling door het KB van 20 december 1996.

Naar aanleiding van die wetswijziging is de voorwaarde opgenomen dat voor de toepassing van het stelsel van de gespreide belasting voor meerwaarden op immateriële activa vereist is dat op die activa “fiscale afschrijvingen werden genomen”. Als een meerwaarde wordt gerealiseerd op goodwill die binnen de onderneming zelf is opgebouwd als gevolg van de verdere aangroei van het cliënteel, zou die meerwaarde niet voor vrijstelling in aanmerking komen. Doorgaans zal de fiscus dan een opsplitsing maken tussen de meerwaarde die betrekking heeft op het bestaande cliënteel en de meerwaarde op cliënteel dat zelf is opgebouwd.

In het hierna besproken arrest wijst het hof van beroep te Brussel die redenering van de fiscus van de hand (Hof van Beroep te Brussel, 3 juni 2010).

Feiten/Vaststellingen

Een vennootschap verwerft in 1986 het handelsfonds van een apotheek. Ter gelegenheid van de overname wordt naast de materiële vaste activa ook de goodwill van de apotheek overgenomen. De vennootschap betaalt voor de goodwill ± € 40 000. De vennootschap schrijft de verworven goodwill af over een periode van 10 jaar (boekjaren 1986 tot 1995). In 1997 verkoopt de vennootschap het handelsfonds van de apotheek. Voor de (op dat moment volledig afgeschreven) goodwill ontvangt de vennootschap een prijs van ± € 186 000. De vennootschap vraagt voor de meerwaarde die op de goodwill is gerealiseerd, toepassing van het stelsel van gespreide belasting.

De administratie is van oordeel dat de meerwaarde die op de goodwill is gerealiseerd, niet in aanmerking komt voor het stelsel van gespreide belasting. Volgens de administratie is voor de verkochte goodwill de voorwaarde dat de meerwaarde betrekking moet hebben op activa die sedert meer dan vijf jaar de aard van vaste activa hebben gehad, niet vervuld. De goodwill die de vennootschap in de jaren na de overname van de apotheek zelf heeft opgebouwd, werd niet als een actief geboekt. De vennootschap toont evenmin aan dat in het jaar 1997 de goodwill die in het jaar 1986 werd aangekocht, nog minstens gedeeltelijk aanwezig was. De administratie leidt uit het feit dat de aankoopprijs van de officina volledig werd afgeschreven, af dat op datum van de verkoop de (oorspronkelijk verworven) goodwill niet meer bestond. De volledige afschrijving van de aangekochte goodwill wijst erop dat het bestaande cliënteel volledig door nieuw cliënteel werd vervangen.

In eerste aanleg bevestigt de rechtbank het standpunt van de fiscus ...

Uitgaande van de verschillende benadering die in de fiscale en boekhoudwetgeving wordt gegeven van het begrip afschrijvingen, komt de rechtbank tot het besluit dat goodwill die fiscaal volledig is afgeschreven, geacht wordt niet meer te bestaan. Voor de rechtbank volstaat dat om de meerwaarde die de vennootschap bij de verkoop van haar cliënteel realiseerde, van het stelsel van gespreide belasting uit te sluiten (Rb. Leuven 19 november 2004).

De vennootschap tekent hoger beroep aan tegen het vonnis van de eerste rechter ...

De vennootschap voert voor het hof aan dat het begrip “goodwill” niet beperkt mag worden tot cliënteel. Goodwill kan daarentegen worden omschreven “als het bedrag waarmee de aanschaffingsprijs van een onderneming de gezamenlijke waarde van haar activa en passiva te boven gaat”. De vennootschap betwist de stelling van de fiscus dat uit de volledige afschrijving van het aangekochte cliënteel zou blijken dat het bestaande cliënteel volledig door nieuw cliënteel zou zijn vervangen. Volgens de vennootschap heeft “de invulling van het afschrijvingsbegrip in het fiscaal recht geenszins tot gevolg dat de afgeschreven goodwill op fiscaal vlak niet langer zou bestaan, terwijl deze op boekhoudkundig vlak nog wel aanwezig zou zijn”.

Het hof van beroep volgt de zienswijze van de vennootschap. Volgens het hof mag het begrip “goodwill” niet beperkt worden tot het cliënteel alleen. In het voorliggende geval moet worden aangenomen dat de goodwill van een apotheek o.m. bestaat uit “cliënteel, de commerciële ligging, de goede faam, de knowhow, de specialiteiten en de vestiging- of uitbatingvergunning”. Het hof merkt daarbij op dat de aanwezige vestigingsvergunning kwalitatief minstens even belangrijk is als het cliënteel. De afschrijving van de goodwill impliceert geenszins dat de vestigingsvergunning verloren zou gaan of ophouden te bestaan. Op het moment van de overdracht van het handelsfonds heeft de vennootschap dezelfde activiteit (met inbegrip van de uitbatingvergunning) overgedragen als deze die aanvankelijk was verworven.

Het hof sluit zich aan bij de argumentatie van de belastingplichtige dat uit het feit dat het oorspronkelijk verworven cliënteel op datum van verkoop van het handelsfonds volledig was afgeschreven, niet kan worden afgeleid dat het bestaande cliënteel volledig werd vervangen door nieuw, zelf opgebouwd cliënteel. Volgens het hof is het door de eerste rechter aangenomen verschil tussen het boekhoudrechtelijk en het fiscaalrechtelijk gevolg van een afschrijving (nl. dat een volledig afgeschreven actiefbestanddeel boekhoudkundig nog bestaat, maar niet meer fiscaal) kunstmatig.

Volgens het hof moet voor de beoordeling van de vraag of de vennootschap voor de meerwaarde die werd gerealiseerd op de verkochte goodwill, in aanmerking komt voor het stelsel van gespreide belasting, enkel in concreto worden nagegaan of op het moment van de verkoop nog een gedeelte van de overgenomen goodwill aanwezig was. Aangezien op die vraag bevestigend moet worden geantwoord, komt de vennootschap in aanmerking voor het stelsel van gespreide belasting.

Het hof is van oordeel dat een eventuele opsplitsing van de verkochte goodwill in een oud gedeelte en in een gedeelte dat later is opgebouwd, niet in overeenstemming zou zijn met de wettelijke voorwaarden van artikel 47, § 1 van het WIB 92. Die benadering komt neer op het toevoegen van voorwaarden aan de wet. Het hof besluit dan ook dat de meerwaarde die de vennootschap bij de verkoop van haar handelsfonds op de goodwill realiseerde, in aanmerking komt voor gespreide belasting.

Het hof van Brussel sluit daarmee aan bij een eerder arrest van het hof van beroep te Antwerpen (Antwerpen, 21 oktober 2003).

Material on this website is © 2014 Deloitte Global Services Limited, or a member firm of Deloitte Touche Tohmatsu Limited, or one of their affiliates. See Legal for copyright and other legal information.

Deloitte refers to one or more of Deloitte Touche Tohmatsu Limited, a UK private company limited by guarantee, and its network of member firms, each of which is a legally separate and independent entity. Please see www.deloitte.com/about for a detailed description of the legal structure of Deloitte Touche Tohmatsu Limited and its member firms.

Get connected

 

More on Deloitte
Learn about our site