Begroting 2013Maatregelen inzake vennootschapsbelasting |
Aangepast op: 4 maart 2013 - 12:30
Budget 2013 homepage | Begroting 2013 startpagina | Page d'acceuil Budget 2013
Corporate tax | Impôt des sociétés
Notionele interestaftrek
De huidige maximumtarieven voor de notionele interestaftrek, die reeds verlaagd werden tot 3% voor grote ondernemingen en 3,5% voor KMO’s door de Wet van 28 december 2011, blijven behouden.
Het NID-tarief zou echter, om dit nauwer te laten aansluiten bij de recente evoluties van de rente op 10-jarige OLO’s, voortaan berekend worden op basis van de gemiddelde rente op 10-jarige OLO’s van het derde kwartaal van het voorlaatste jaar voorafgaand aan het aanslagjaar.
Dit nieuw referentietarief (gebaseerd op de gemiddelde rente op 10-jarige OLO’s van de maanden juli, augustus en september 2012), zou van toepassing zijn vanaf aanslagjaar 2014. Dit zou resulteren in een lager effectief NID tarief van 2,742% voor grote ondernemingen en 3,242% voor KMO’s voor aanslagjaar 2014. Wijzigingen aan de afsluitingsdatum van het boekjaar vanaf 21 november 2012 zouden niet tegenstelbaar zijn aan de belastingadministratie voor de berekening van de NID.
De verwachte opbrengst van deze maatregel zou 256 miljoen EUR bedragen voor 2013 en 64 miljoen EUR voor 2014.
Meerwaarden op aandelen
De bestaande fiscale regels inzake belasting van meerwaarden op aandelen in de vennootschapsbelasting zouden onveranderd blijven, met uitzondering van de meerwaarden op aandelen verwezenlijkt door grote ondernemingen. Meerwaarden op aandelen die onder deze regeling momenteel kunnen genieten van een volledige vrijstelling, zouden onderworpen worden aan een ‘afzonderlijke belasting’ van 0,4%, berekend op het nettobedrag van de vrijgestelde meerwaarde. Het zou niet mogelijk zijn om de meerwaarden dieonderworpen zijn aan de 0,4% afzonderlijke belasting te compenseren met minderwaarden op aandelen. Deze belasting zou niet verrekenbaar, noch fiscaal aftrekbaar zijn en belastingplichtigen zouden geen fiscale aftrekken zoals bijvoorbeeld overgedragen fiscale verliezen mogen afzetten tegen deze 0,4% belasting.
De afzonderlijke belasting zou niet van toepassing zijn voor KMO’s, die voldoen aan de voorwaarden van art. 15 W. Venn.
Omwille van de aanvullende crisisbijdrage van 3% die verschuldigd is op grond van artikel 463bis WIB, bedraagt het effectief tarief van deze belasting 0,412%.
Meerwaarden zouden aldus voortaan onderworpen zijn aan 1 van de 4 volgende regimes:
- Volledige vrijstelling voor meerwaarden verwezenlijkt door KMO’s die voldoen aan alle voorwaarden voor vrijstelling (houdperiode en taxatievoorwaade)
- Belasting aan 0,412% voor meerwaarden verwezenlijkt door vennootschappen andere dan KMO’s die voldoen aan alle voorwaarden voor vrijstelling (houdperiode en taxatievoorwaarde)
- Belasting aan 25,75% voor meerwaarden die voldoen aan de taxatievoorwaarde, maar niet aan de vereiste houdperiode
- Belasting aan 33,99% voor meerwaarden die niet voldoen aan de taxatievoorwaarde.
Merk in dit verband op dat er ook belasting wordt geheven in hoofde van ondernemingen onderworpen aan het Koninklijk Besluit van 23 september 1992 (kredietinstellingen, beleggingsondernemingen en beheervennootschappen van instellingen voor collectieve belegging) op meerwaarden gerealiseerd op aandelen die tot hun “handelsportefeuille” behoren.
De 0,412% belasting is verschuldigd vanaf aanslagjaar 2014, met een specifieke anti-misbruikbepaling die wijzigingen aan de afsluitingsdatum van het boekjaar vanaf 21 november 2012 niet tegenstelbaar maakt aan de belastingadministratie.
De verwachte opbrengst van deze maatregel zou 95 miljoen EUR bedragen voor 2013 en 123,5 miljoen EUR voor 2014.
Bron: Programmawet van 27 december 2012, artikel 100
Aanslag geheime commissielonen
Verdere verduidelijking omtrent de toepassing van de geheime commissielonenaanslag van 309% zou worden verstrekt. Deze verduidelijkingen zouden deels verstrekt worden middels een administratieve circulaire en deels opgenomen worden in het Wetboek van de Inkomstenbelastingen zelf.
Voortaan zou een onderscheid gemaakt worden in functie van de aard van de kosten en de mogelijkheid om alsnog belasting te heffen op de voordelen van alle aard in hoofde van de begunstigden:
- Overdreven kosten waarvoor het niet helemaal duidelijk is of het wel degelijk gaat om een voordeel van alle aard: verworpen uitgave in hoofde van de vennootschap;
- Kleine berekeningsfouten en ‘te goeder trouw’ begane vergissingen die rechtgezet worden door het bedrijf door aanduidingvan de begunstigde binnen de normale driejarige aanslagtermijn: belasting in hoofde van de begunstigde in de personenbelasting;
- Voordelen van alle aard, afkomstig van “gemengde” kosten of “duidelijk privékosten”;waarvoor geen fiche werd opgesteld, maar waar de vennootschap “onmiddellijk” de begunstigde aanwijst bij controle, op voorwaarde dat de begunstigde ermee instemt om alsnog belast te worden op het ontvangen voordeel binnen de driejarige aanslagtermijn: verworpen uitgave in hoofde van de vennootschap en belasten van de begunstigde in de personenbelasting.
De bestaande administratieve praktijk, waarbij de aftrek van de kosten met betrekking tot niet aangegeven voordelen van alle aard wordt aanvaard in het geval waarbij de begunstigde de voordelen heeft aangegeven in zijn aangifte, zou nu formeel opgenomen worden in het Wetboek van de Inkomstenbelastingen.
Voordelen van alle aard waarvoor geen fiche werd opgesteld en waarbij het bedrijf de begunstigde niet identificeert, of waarvoor belasting in hoofde van de genieter niet meer mogelijk is binnen de driejarige aanslagtermijn: toepassing van de geheime commissielonenaanslag van 309%. De controle op de aftrekbaarheid van restaurantkosten zou voortaan “buiten het toepassingsgebied van de 309%-aanslag vallen”. Daarnaast zou er overwogen worden om in de nabije toekomst het tarief zelf van de aanslag geheime commissielonen neerwaarts aan te passen.
De wijzigingen zouden van toepassing zijn vanaf aanslagjaar 2014.
Extra-legale pensioenen
De Programmawet van 22 juni 2012 introduceerde een bijzondere sociale zekerheidsbijdrage van 1,5% op aanvullende pensioenpremies die bepaalde drempels overschrijden. De bijzondere bijdrage met betrekking tot werknemers zal verschuldigd zijn in het 4de kwartaal van het jaar voor werknemers en ten laatste tegen 31 december van het jaar voor zelfstandige bestuurders.
Omwille van praktische redenen, zou de berekening gemaakt worden – en de 1,5% bijzondere bijdrage verschuldigd zijn – op basis van de premies betaald en de reserves die verworven werden tijdens het jaar voorafgaand aan het jaar waarin de 1,5% bijzondere bijdrage verschuldigd is. Dit betekent dat de bijdrage voor het jaar 2012 bepaald en berekend zou worden op basis van relevante gegevens van 2011.
Enkel de netto-premies, d.w.z. na aftrek van verzekeringstaksen en de 8,86% bijdrage op aanvullende pensioenen, zou in aanmerking genomen worden.
Overgangsregeling
Niettegenstaande de delegatie van bevoegdheid aan de Koning in dit verband, bevat de Programmawet van 27 December 2012 ,die sommige maatregelen van het budget 2013 uitvoert,een aantal zeer technische regels om te berekenen of – en in welke mate – de drempel van EUR 30.000 overschreden wordt onder de overgangsregeling. De EUR 30.000 drempel zou geïndexeerd worden.
De meest relevante verduidelijkingen met betrekking tot de berekening van de drempel van EUR 30.000 en de bijzondere bijdrage van 1,5% onder het overgansstelsel kunnen als volgt worden samengevat:
- Voor de bijdragejaren 2012 en 2013 worden iets andere berekeningsregels toegepast;
- Premies voor overlijdensverzekeringen, uitzonderlijke premies (zoals ‘backservice” of future service” premies) en premies betaald gedurende de opzegperiode in geval van beëindiging van tewerkstelling maken deel uit van de premies voor aanvullende pensioenstelsels die onderworpen zijn aan de 1,5% bijzondere bijdrage;
- Bijkomende bedragen betaald door de werkgevers in het geval van “onderkapitalisatie” worden niet geviseerd door de 1,5% bijzondere bijdrage en moeten niet in aanmerking worden genomen voor de berekening van het totale premiebedrag betaald met betrekking tot een bepaald jaar;
- Premies betaald bij de externalisering van interne pensioenvoorzieningen of bepaalde keyman verzekeringscontracten zijn uitgesloten van de berekeningsbasis voor de 1,5% bijzondere bijdrage alsook van de 1,5% bijzondere bijdrage zelf;
- Wanneer de drempel overschreden wordt, is de 1,5% bijzondere bijdrage enkel verschuldigd door de werkgever op het deel van de bijdragen, die de grens van EUR 30.000 overschrijden. Als het aandeel van de werkgever in de “excessieve premies” kleiner is dan het totaal van “excessieve premies”, dan zal enkel de 1,5% bijdrage verschuldigd zijn op het aandeel van de werkgever in de overschrijding van het grensbedrag.
Verder introduceert de Programmawet van 27 december 2012 de verplichting voor werkgevers en sectorale organisaties om aan de pensioeninstellingen voor 28 februari van het jaar waarin de bijdrage verschuldigd is een overzicht te bezorgen van de werknemers die waren aangesloten tijdens het jaar voorafgaand aan het bijdragejaar. Voor werkgevers moeten deze rapportering voor de eerste maal doen tegen 28 februari 2013, terwijl sectorale organisaties enkel tegen 28 februari 2014 voor het eerst moeten voldoen aan deze rapporteringsverplichting. Een gelijkaardige regel werd ingevoerd voor rechtspersonen met betrekking tot zelfstandige personen die aangesloten waren bij aanvullende pensioenstelsels.
Uitgezonderd voor het bijdragejaar 2012, werd de bijkomende betalingstermijn van drie maanden voor zelfstandigen afgeschaft.
Finale regeling
De Programmawet van 27 december 2012 verstrekt ook bijkomende technische verduidelijkingen over de berekening van de overschrijding onder de finale regeling. Onder de finale regeling worden “overlijdensverzekeringspremies” niet langer in aanmerking genomen om te bepalen of de drempel overschreden is en zijn deze dus niet langer onderworpen aan de 1,5% bijzondere bijdrage.
Onder de finale regeling, en in tegenstelling tot de overgangsregeling, zullen interne pensioenvoorzieningen en bepaalde “keyman” verzekeringscontracten in aanmerking worden genomen voor de berekening van de overschrijding van de EUR 30.000 drempel en zouden deze eveneens onderworpen worden aan de 1,5% bijzondere bijdrage.
Bron: Programmawet van 27 december 2012, artikelen 64-76.
Tax shelter
Het tax shelter regime zou aangepast worden op verschillende punten. Onder meer de volgende wijzigingen zouden worden aangebracht aan de bestaande regeling:
- De vereiste dat 70% van het globale budget moet worden gebruikt voor kosten, direct gelinkt aan de productie van het werk en dat 30% kan gebruikt worden voor indirecte kosten;
- Invoering in het Wetboek van de Inkomstenbelastingen van niet-limitatieve lijsten van kosten, die geacht worden respectievelijk directe en indirecte kosten te zijn, waarbij de kosten die niet zijn opgenomen in deze lijsten geval per geval geanalyseerd dienen te worden;
- Het deel van het budget dat gespendeerd moet worden in België zou 90%van alle ingezamelde fondsen bedragen.
De wijzigingen aan het stelsel, die nog ter goedkeuring voorgelegd moeten worden aan de Europese Commissie, zouden van toepassing zijn voor kaderovereenkomsten voor tax shelter producties afgesloten vanaf 1 juli 2013.