This site uses cookies to provide you with a more responsive and personalized service. By using this site you agree to our use of cookies. Please read our cookie notice for more information on the cookies we use and how to delete or block them.

Bookmark Email Print page

Begroting 2012

Maatregelen inzake vennootschapsbelasting

Aangepast op: 10 januari 2013

Maatregelen inzake personenbelasting | Maatregelen aangaande indirecte belastingen | Andere belastingmaatregelen

Overzicht van de maatregelen inzake vennootschapsbelasting in het 2012 begrotingsakkoord. 

Meerwaarden op aandelen 

De meerwaardevrijstelling van 100% van het bedrag van de netto meerwaarden is behouden , maar de vrijstelling is nu onderworpen aan een 1-jarige houdvereiste. Voor de toepassing van de meerwaardevrijstelling dienen de aandelen gedurende een ononderbroken periode van ten minste één jaar in volle eigendom worden aangehouden.

Een speciale regeling bestaat voor de berekening van de 1-jarige houdvereiste van aandelen verkregen als tegenprestatie voor belastingneutrale verrichtingen (met name bedoeld in artikel 46, §1, eerste lid, 2°, 211, 214, §1 en 231, 66 2 en 3, en die, waar vereist, ingegeven zijn door zakelijke overwegingen zoals bepaald in artikel 183bis WIB). In deze gevallen wordt de 1-jarige houdperiode berekend vanaf de datum waarop de geruilde aandelen zijn verkregen (de belastingneutrale verrichting wordt met andere woorden buiten beschouwing gelaten).

Verder werd een nieuwe regeling ingevoerd door de Wet van 13 december 2012 ter verduidelijking van de berekening van de 1-jarige houdperiode voor aandelen verkregen naar aanleiding van belastingneutrale verrichtingen. Meer in het bijzonder, in het geval de overnemende of verkrijgende vennootschap bij een belastingneutrale verrichting, aandelen (in derde vennootschappen) zou ontvangen die voorafgaandelijk werden aangehouden door de overgenomen of omgevormde vennootschap , worden deze aandelen geacht te zijn verkregen bij de overnemende/verkrijgende vennootschap op de datum waarop deze aandelen oorspronkelijk verkregen zijn door de overgenomen of omgevormde vennootschap.

Als de aandelen minder dan één jaar worden aangehouden, zullen de meerwaarden onderworpen worden aan een afzonderlijke belasting tegen het tarief van 25,75%. 

Meerwaarden op aandelen zullen bijgevolg onderworpen zijn aan één van de volgende drie fiscale regimes: 

  • Vrijstelling indien voldaan is aan zowel de taxatievoorwaarde als de minimale houdtermijn; 
  • Belasting aan 25,75% als de taxatievoorwaarde vervuld is, maar niet voldaan is aan de minimale houdtermijn; 
  • Belasting aan 33,99% van zodra de taxatievoorwaarde niet vervuld is. 

Er is niets veranderd met betrekking tot minderwaarden en waardeverminderingen op aandelen: die blijven niet aftrekbaar, tenzij het gaat om minderwaarden verwezenlijkt naar aanleiding van de vereffening van de vennootschap waarin de aandelen worden aangehouden.

We verwijzen naar de Begroting 2013 webpagina voor de laatste wijzigingen met betrekking tot meerwaarden op aandelen.

De zogenaamde “tradingvennootschappen” geregeld door het Koninklijk besluit van 23 september 1992 (met betrekking tot de jaarrekening van de kredietinstellingen, de beleggingsondernemingen en de beheervennootschappen van instellingen voor collectieve belegging) zijn niet onderworpen aan deze nieuwe regels voor zover het verrichtingen betreft op de effecten die behoren tot de handelsportefeuille (bijvoorbeeld aandelen die als trading stock worden gehouden om binnen een korte termijn te verkopen). Meerwaarden op dergelijke aandelen  zijn volledig belastbaar, terwijl minderwaarden en waardeverminderingen volledig aftrekbaar zullen zijn. Speciale regels zijn ook voorzien voor interne overdrachten van aandelen van en naar de handelsportefeuille. 

De nieuwe regels zijn van toepassing met ingang van aanslagjaar 2013. Ze gelden ook voor meerwaarden (evenals minderwaarden en waardeverminderingen) gerealiseerd (of geboekt) vanaf 28 november 2011 tijdens een belastbaar tijdperk afgesloten ten vroegste op de datum van publicatie van de wet, zijnde 6 april 2012. Iedere wijziging van de afsluitingsdatum van de jaarrekening vanaf 28 november 2011 zal worden genegeerd voor de toepassing van deze nieuwe regels.

BronProgrammawet van 29 maart 2012, Artikel 146, 147, 1°, 149; Wet van 13 December 2012 houdende fiscale en financiële bepalingen, Artikel 44, 49.

Tarief roerende voorheffing 

De Wet van 28 december 2011 houdende diverse bepalingen voorziet in een verhoging van de verlaagde roerende voorheffing van 15% op dividenden tot 21%. Het tarief van 15% was van toepassing op (i) dividenden van aandelen uitgegeven vanaf 1 januari 1994 door het openbaar aantrekken van spaargelden; (ii) dividenden van aandelen uitgegeven vanaf 1 januari 1994 in ruil voor een inbreng in geld en die vanaf hun uitgifte het voorwerp hebben uitgemaakt van een inschrijving op naam bij de uitgever; en (iii) dividenden uitgekeerd door erkende beleggingsvennootschappen. 

Het standaardtarief van de roerende voorheffing op dividenden blijft gehandhaafd op 25%. Liquidatieboni blijven onderworpen aan 10% roerende voorheffing. De inkoop van eigen aandelen daarentegen kan niet langer genieten van het 10%-tarief en is ook onderworpen aan het tarief van 21%. De bestaande vrijstellingen van roerende voorheffing blijven behouden. 

Het standaardtarief van de roerende voorheffing op interest werd verhoogd van 15% tot 21%. 

De roerende voorheffing van 15% blijft behouden voor interest op staatsobligaties die uitgegeven en onderschreven zijn in de periode tussen 24 november en 2 december 2011. Alle andere staatsobligaties zijn voortaan onderworpen aan het standaardtarief van 21%. 

De tariefverhoging van 15% naar 21% is van toepassing op interesten en dividenden die betaald of toegekend worden vanaf 1 januari 2012.

Bron: Wet van 28 december 2011 houdende diverse bepalingen, Artikel 25-38

We verwijzen naar de Begroting 2013 webpagina voor de wijzigingen in de tarieven van de roerende voorheffing vanaf 1 januari 2013.

Notionele interestaftrek 

Tarief – Wet houdende diverse bepalingen 

Het tarief van de notionele interestaftrek zal ook in de toekomst jaarlijks worden bepaald op basis van de OLO-rente. Door de Wet van 28 december 2011 houdende diverse bepalingen is het vroegere maximumtarief van 6,5% voor grote ondernemingen en 7% voor KMO’s evenwel verlaagd tot 3% voor grote ondernemingen en tot 3,5% voor KMO’s. Deze nieuwe maximumtarieven zijn van toepassing vanaf aanslagjaar 2013. Op basis van de gemiddelde OLO-rente voor 2011 zou het tarief van de notionele interestaftrek (afgerond) 4,2% en 4,7% hebben bedragen. Vandaar dat voor aanslagjaar 2013 de nieuwe maxima van 3% en 3,5% ook de effectief toepasbare tarieven zijn.

Bron: Wet van 28 december 2011 houdende diverse bepalingen, Artikel 45

De Wet van 13 december 2012 houdende fiscale en financiële bepalingen bepaalt dat wijzigingen aan de afsluitdatum van de jaarrekening vanaf 28 november 2011 geen uitwerking hebben op de bepaling van het toepasselijke NID tarief.

Bron: De Wet van 13 december 2012 houdende fiscale en financiële bepalingen, Artikel 58.

Overdraagbaarheid 

De mogelijkheid om de niet-gebruikte notionele interestaftrek gedurende 7 belastbare tijdperken over te dragen is afgeschaft met ingang van aanslagjaar 2013. De “stock” aan niet-gebruikte aftrek per 31 december 2011 zal overdraagbaar blijven, maar het gebruik ervan zal worden beperkt. 

Met het oog op de bepaling van de belastbare grondslag, wordt de aftrek van “stock” aan notionele interestaftrek de laatste bewerking in de aangifte in de vennootschapsbelasting worden. Het bedrag dat als notionele interestaftrek in rekening kan worden gebracht, mag maximaal 60%van het (op dat ogenblik overblijvende) winstsaldo bedragen. Deze beperking is echter niet van toepassing op het eerste miljoen van de belastbare basis voor aftrek van de notionele interestaftrek. De “stock” die door deze beperking ongebruikt blijft, zal kunnen overgedragen worden tot de volledige benutting van het bedrag dat aftrekbaar zou zijn als de 60% beperking niet had bestaan (onafhankelijk van het verstrijken van de 7 jarige overdrachtperiode). Dit betekent dat de “stock” aan notionele interestaftrek die onder de huidige overdrachtregeling (maximum 7 jaar) aftrekbaar is, krachtens de nieuwe regeling aftrekbaar zal blijven doch over een langere periode zal mogen worden afgetrokken.

De Memorie van Toelichting bij de Wet houdende fiscale en financiële bepalingen (Kamer | Chambre) bevat dit voorbeeld van de aftrek van “stock” aan notionele interestaftrek.Wijzigingen aan de afsluitingsdatum van de jaarrekening vanaf 28 november 2011 zijn zonder uitwerking voor de bepaling van de aftrek van “stock” aan notionale interestaftrek.

Bron: De Wet van 13 december 2012 houdende fiscale en financiële bepalingen, Artikelen 48, 56 en 59.

Onderkapitalisatie 

De 7:1 onderkapitalisatieregel  is vervangen door een algemene 5:1 schuld / eigen vermogen ratio. 

De nieuwe regeling is geïmplementeerd door de Programmawet van 29 maart 2012

De programmawet van 22 juni 2012 heeft een aantal wijzigingen aan de nieuwe onderkapitalisatieregel ingevoerd.

De datum van inwerkingtreding van de nieuwe onderkapitalisatieregel ingevoerd door de programmawet van 29 maart 2012 is 1 juli 2012. De datum van inwerkingtreding van de wijzigingen ingevoerd door de nieuwe programmawet is eveneens 1 juli 2012.

Programmawet van 29 maart 2012

Schuld wordt gedefinieerd als: 

  • enerzijds alle intra-groepsleningen. De term “groep” wordt gedefinieerd bij verwijzing naar het vennootschapsrechtelijk concept van verbonden vennootschappen in de zin van artikel 11 van het Wetboek van vennootschappen; en
  • anderzijds, alle leningen waarvan de werkelijke verkrijger van de interesten niet onderworpen is aan een inkomstenbelasting of, voor die inkomsten, onderworpen is aan een aanzienlijk gunstigere belastingregeling dan die welke voortvloeit uit de bepalingen van gemeen recht van toepassing in België. 

Zoals reeds het geval is op dit moment, wordt met obligaties of andere gelijksoortige effecten uitgegeven door een openbaar beroep op het spaarwezen geen rekening gehouden. Daarenboven zullen voortaan ook leningen toegestaan door banken en financiële instellingen als bedoeld in art. 56, §2, 2° WIB buiten beschouwing blijven. 

Evenzo is de nieuwe regeling niet van toepassing op leningen afgesloten door: 

  • vennootschappen voor roerende leasing (zoals bedoeld in artikel 2 van het Koninklijk Besluit nr. 55) en vennootschappen waarvan de voornaamste activiteit uit factoring of onroerende leasing bestaat voor zover deze ondernemingen actief zijn in definanciële sector en voor zover de ontleende kapitalen effectief dienen voor leasing- en factoringactiviteiten. Volgens de memorie van toelichting dient men onder “financiële sector” de vennootschappen te verstaan die aan permanent prudentieel toezicht van de Nationale Bank van België en de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten worden onderworpen; 
  • vennootschappen waarvan de voornaamste activiteit bestaat uit het uitvoeren van een project van publiek-private samenwerking gegund na inmededingingstelling conform de reglementering inzake overheidsopdrachten. 

Eigen vermogen wordt gedefinieerd als de som van de belaste reserves bij het begin van het belastbare tijdperk en het gestorte kapitaal op het einde van het belastbaar tijdperk. Voor verenigingen zonder winstoogmerkdie aan de vennootschapsbelasting onderworpen zijn, dient onder gestort kapitaal te worden verstaan, de fondsen van de vereniging zoals die uit de balans blijken. 

Een anti-misbruik maatregel voorziet dat leningen, gegarandeerd of gefinancierd door een “besmette” derde (die een deel of het geheel van de risico’s van de lening draagt) worden geacht te zijn verleend door deze derde (vergelijk met de “anti-channeling” bepaling in het kader van de regeling “fortaitair gedeelte van de buitenlandse belasting”).

Programmawet van 22 juni 2012

De programmawet van 22 juni 2012 bevat een bepaling die tot doel heeft een oplossing te bieden voor de mogelijke nadelige gevolgen van de nieuwe onderkapitalisatieregel voor groepen die bepaalde intra-groeps financieringsactiviteiten centraliseren in België. De oplossing bestaant in de invoering van een uitzondering op de onderkapitalisatieregel voor gecentraliseerd thesauriebeheer. De uitzondering laat een systeem van “netting” toe waarbij de interestkosten die in principe onderworpen zouden zijn aan de 5:1 onderkapitalisatiebeperking verminderd kunnen worden met interestinkomsten ontvangen vanwege groepsvennootschappen, op voorwaarde dat de interest betrekking heeft op kwalificerend thesauriebeheer. 

De programmawet van 22 juni 2012 definieert het begrip “gecentraliseerd thesauriebeheer” als “het beheer van dagelijkse thesaurieverrichtingen (cash pooling) of het thesauriebeheer op korte termijn of uitzonderlijk thesauriebeheer op langere termijn om rekening te houden met specifieke omstandigheden binnen het normaal thesauriebeheer”. Er worden geen voorbeelden gegeven van thesauriebeheer op korte termijn of uitzonderlijk thesauriebeheer op langere termijn. 

Deze netting wordt beperkt tot interest van financieringsactiviteiten (i) met ondernemingen die tot de “groep” behoren (dat wil zeggen verbonden ondernemingen, cfr. Art. 11 Wetboek van Vennootschappen) (ii) verricht in het kader van een raamovereenkomst voor gecentraliseerd thesauriebeheer. De bewijslast zal op de belastingplichtige rusten die moet aantonen dat de netting betrekking heeft op in aanmerking komende financieringsactiviteiten.Meer bepaald wordt, voor financieringsactiviteiten die worden verricht in het kader van een dergelijke raamovereenkomst, interest in hoofde van de onderneming belast met het gecentraliseerd thesauriebeheer die aan de 5:1 onderkapitalisatiebeperking onderworpen wordt, gedefinieerd als het positieve verschil tussen: 

  • Enerzijds, de interest betaald of toegekend met betrekking tot de sommen die ter beschikking zijn gesteld door verbonden ondernemingen; en 
  • Anderzijds, de interest ontvangen of verkregen met betrekking tot de sommen die op grond van een raamovereenkomst voor gecentraliseerd thesauriebeheer effectief ter beschikking zijn gesteld van verbonden ondernemingen, met uitzondering van: 
    • banken en andere financiële instellingen zoals bedoeld in art. 56, § 2, 2° WIB, en 
    • zowel leasing- en factoringvennootschappen als Belgische vennootschappen die zich bezig houden met publiek-private samenwerkingsprojecten of vennootschappen met gelijkaardige activiteiten gevestigd in een andere lidstaat van de EER. 

Voor de bepaling van dit positieve verschil wordt geen rekening gehouden met interestinkomsten wanneer deze verkregen zijn van: 

  • verbonden ondernemingen die niet onderworpen zijn aan de vennootschapsbelasting of een buitenlandse belasting van gelijke aard, of 
  • verbonden ondernemingen gevestigd in een land waar gemeenrechtelijke bepalingen inzake belastingen aanzienlijk gunstiger zijn dan in België, met dien verstande dat de gemeenrechtelijke bepalingen inzake belastingen van de EER-lidstaten nooit geacht worden aanzienlijk gunstiger te zijn. 

Om in aanmerking te komen voor de uitzondering moet een raamovereenkomst worden opgesteld die details moet bevatten over het toegepaste financieringsmodel en de activiteiten uitgevoerd in het kader van het gecentraliseerd thesauriebeheer. Dergelijke activiteiten kunnen bestaan uit de plaatsing en de herverdeling van overtollige liquide middelen met verbonden ondernemingen en het verstrekken van garanties aan groepsleden die lenen van derden. De raamovereenkomst moet de wijze van netting van vorderingen en schulden, de modaliteiten voor de tussenkomst van groepsvennootschappen en het vergoedingsmodel omschrijven. 

Enkel transacties uitgevoerd in het kader van een raamovereenkomst die de nodige informatie bevat omtrent de organisatie van het gecentraliseerd thesauriebeheer zou in aanmerking komen voor deze uitzondering voor gecentraliseerd thesauriebeheer. 

Een tweede amendement ingevoerd door de programmawet van 22 juni 2012 heeft betrekking op de uitzondering ingevoerd door de programmawet van 29 maart voor leasing- en factoringvennootschappen in de financiële sector en voor publiek-private samenwerkingsverbanden (zie hierboven). 

Deze uitzondering wordt beperkt tot betalingen aan groepsvennootschappen. De oorspronkelijke tekst werd aangepast om uit te sluiten dat de uitzondering ook van toepassing zou zijn op interestbetalingen aan begunstigden gevestigd in belastingparadijzen.

Bron: Programmawet van 29 maart 2012, Artikel 147, 2° & 3° en programmawet van 22 juni 2012, Artikel 89.

Extra-legale pensioenschema’s 

Invoering van een speciale sociale zekerheidsbijdrage van 1,5% op extra-legale pensioenbijdragen boven een bepaalde drempel 

Het plan om een nieuwe beperking op de zogenaamde 80% regel in te voeren door de aftrekbaarheid van pensioenbijdragen (ook) te koppelen aan de hoogste pensioenen voor ambtenaren lijkt van tafel te zijn. Als alternatief is een speciale sociale zekerheidsbijdrage van 1,5% van toepassing op pensioenbijdragen die bepaalde drempels overschrijden. 

De bijdrage is zowel verschuldigd door werknemers als door zelfstandige bestuurders. 

De programmawet van 22 juni 2012 voorziet in een overgangsregeling van 1 januari 2012 tot de inwerkingtreding van de definitieve regeling. De definitieve regeling zou van toepassing zijn vanaf 1 januari 2016, tenzij een vroegere datum van inwerkingtreding zou worden ingevoerd bij koninklijk besluit. De regeling is van toepassing op werknemers en zelfstandige bestuurders. Volgens de memorie van toelichting zijn verschillende data van inwerkingtreding voor de uiteindelijke regeling voor werknemers en zelfstandige bestuurders niet uitgesloten. 

Onder de overgangsregeling is de speciale sociale zekerheidsbijdrage verschuldigd op het bedrag van de bijdragen en premies voor extra-legale pensioenplannen van begunstigde die meer dan 30.000€ per jaar (indexgebonden bedrag) bedraagt. Dit houdt in dat als in een bepaald jaar in totaal 35.000€ bijdragen en premies zouden betaald worden ten opzichte van een bepaalde begunstigde, de bijzondere sociale zekerheidsbijdrage verschuldigd zou zijn op 5.000€. Voor zelfstandige bestuurders wordt geen rekening gehouden met de bijdragen en premies aan het VAPZ onder de overgangsregeling. 

Onder de definitieve regeling is de bijdrage verschuldigd voor elk jaar waarin de werkgever of de onderneming bijdragen en premies aan een extra-legaal pensioenplan betaalt voor een werknemer of een zelfstandig bestuurder op voorwaarde dat de totale som van de wettelijke en de extra-legale pensioenen hoger is dan de pensioendoelstelling in hoofde van de begunstigde op 1 januari van dat jaar. Veranderingen die optreden tijdens het jaar worden niet in aanmerking genomen. Om de totale som van de wettelijke en de extra-legale pensioenen te bepalen zullen alle pensioenplannen in aanmerking worden genomen (inclusief plannen gefinancierd door persoonlijke bijdragen van de werknemer en de VAPZ van de zelfstandige bestuurder). 

Voor de inkomstenbelastingen zal de nieuwe sociale zekerheidsbijdrage van 1,5% gelijkgesteld worden met de andere sociale bijdragen. 

De speciale bijdrage zal voor werknemers verschuldigd zijn in het vierde kwartaal van het jaar en tegen ten laatste 31 december voor zelfstandige bestuurders. 

De programmawet geeft de Koning de bevoegdheid om de praktische modaliteiten met betrekking tot de vaststelling en de betaling van de bijzondere bijdrage verder te bepalen bij koninklijk besluit.

Niettegenstaande de bevoegdheid terzake toegekend aan de Koning, introduceerde de Programmawet van 27 december 2012, die een aantal begrotingsmaatregelen voor 2013 invoerde, een aantal wijzigingen (zoals bijvoorbeeld met betrekking tot de referentieperiode om het berag te berekenen dat de drempel van € 30,000 overschrijdt) en verschaft verdere verduidelijking en over hoe berekend moet of – en in welke mate - de drempel van € 30,000 overschreden is. Meer gedetailleerde informatie kan men vinden op de Begroting 2013 webpagina.

Bron: Programmawet van 22 juni 2012, Artikel 24-30 

Interne pensioenvoorzieningen 
Verplichte externalisatie voor extra-legale pensioenschema’s

De programmawet van 22 juni 2012 voert een verplichte externalisatie van individuele pensioentoezeggingen in voor alle nieuwe en bestaande individuele pensioentoezeggingen die gefinancierd zijn door middel van interne provisies of bedrijfsleidersverzekeringen: 

  • Toegekend aan vennootschapsmandatarissen; en 
  • Toegekend aan andere zelfstandige bedrijfsleiders dan vennootschapsmandatarissen of aan werknemers die al bestonden op 16 november 2003. 

Er is echter een overgangsregeling voorzien zijn voor de bestaande individuele pensioentoezeggingen: 

  • Toezeggingen gefinancierd door zogenaamde bedrijfsleidersverzekeringen: geen verplichte externalisatie voor bedrijfsleidersverzekeringsovereenkomsten die afgesloten zijn voor 1 juli 2012. Verhogingen van het verzekerd kapitaal ten gevolge van salarisverhogingen blijven mogelijk voor deze individuele pensioentoezeggingen in de mate dat een dergelijke verhoging als een deel van de oorspronkelijke overeenkomst kan worden beschouwd. Geen andere verhogingen of aanpassingen zijn toegestaan. Echte bedrijfsleidersverzekeringscontracten, d.w.z. contracten die enkel bestemd zijn om potentiële verliezen voor het bedrijf in geval van overlijden te ondervangen en die niet bedoeld zijn om een individuele pensioentoezegging te financieren, blijven mogelijk in de toekomst. 
  • Schema’s gefinancierd door interne voorzieningen: geen verplichting om de interne voorzieningen die zijn opgebouwd aan het eind van het vorige boekjaar met afsluitdatum voor 1 januari 2012 te externaliseren.

 Deze uitzonderingen blijven enkel mogelijk zolang de individuele pensioentoezegging niet geëxternaliseerd is. 

Samengevat, behalve in het geval dat de individuele pensioentoezegging gefinancierd wordt door een bedrijfsleidersverzekering die afgesloten is voor 1 juli 2012 moeten alle bijdragen en betalingen met betrekking tot de individuele pensioentoezeggingen geëxternaliseerd worden, d.w.z. gefinancierd worden via een verzekeringsmaatschappij of een pensioenfonds voor de boekjaren eindigend met ingang van 1 januari 2012. Betalingen met betrekking tot dergelijke pensioentoezeggingen zijn onderworpen aan de 4,4% taks op verzekeringspremies. 

Het toepassingsgebied van de wet betreffende de aanvullende pensioenen of “WAP” is op dezelfde manier uitgebreid zodat deze individuele pensioentoezeggingen voor werknemers bestaand voor 16 november 2003 zou omvatten. 

Een overgangsperiode van 1 jaar vanaf de publicatie van de programmawet in het Belgisch Staatsblad werd voorzien om de bestaande individuele pensioenovereenkomsten in overeenstemming te brengen met de nieuwe regels van de WAP.

Bron: Programmawet van 22 juni 2012, Artikel 117-120 

Vrijstelling van de 4,4% taks op verzekeringspremies

Pensioenvoorzieningen die aan het einde van het laatste boekjaar afgesloten voor 1 januari 2012 zouden geëxternaliseerd zijn, zullen worden vrijgesteld van de 4,4% taks op verzekeringspremies. De vrijstelling van de 4,4% taks op verzekeringspremies is niet beperkt in de tijd. 

Een vrijstelling van de 4,4% taks op verzekeringspremies is ook ingevoerd voor de betaalde one-shot premies of de bijdragen in verband met de belastingneutrale overdracht van kapitalen en afkoopwaarden met betrekking tot levensverzekeringscontracten zoals bedoeld in artikel 515novies van het Wetboek van de Iinkomstenbelastingen. 

De vrijstellingen van de taks op verzekeringspremies zijn van toepassing zijn vanaf 1 januari 2012 voor het externaliseren van pensioenvoorzieningen en vanaf 1 juli 2012 voor de overdracht van kapitalen en afkoopwaarden van in aanmerking komende levensverzekeringscontracten. 

Bron: Programmawet van 22 juni 2012, Artikel 67

Belastingneutraliteit voor de begunstigden van pensioentoezeggingen in geval van externalisatie

De bestaande belastingvrijstelling voor de inkomstenbelastingen van de vrijwillige geëxternaliseerde interne extra-legale pensioenvoorzieningen die zijn opgebouwd voor de inwerkingtreding van de wet aanvullende pensioenen (WAP) is uitgebreid worden naar de externalisering van interne voorzieningen voor extra-legale pensioenen die zijn opgebouwd aan het eind van het laatste boekjaar met afsluitdatum voor 1 januari 2012. De mogelijkheid om bestaande interne voorzieningen voor extra-legale pensioenen te externaliseren met belastingneutraliteit zal niet beperkt zijn in de tijd, maar de vrijstelling zal enkel beschikbaar zijn in de mate de zogenaamde “80%-regel” wordt nageleefd. 

Belastingneutrale externalisatie zou niet toegestaan worden voor een kapitaal: 

  • dat is gevormd ter uitvoering van een individuele pensioentoezegging die vanaf 1 januari 2004 is gedaan aan andere zelfstandige bedrijfsleiders dan vennootschapsmandatarissen; of 
  • dat is geëxternaliseerd naar een buiten de EER gevestigde verzekeringsonderneming of pensioeninstelling. 

Interne pensioenvoorzieningen die niet in overeenstemming met de wettelijke bepalingen zijn opgebouwd zullen niet in aanmerking komen voor belastingneutrale externalisatie. De nieuwe regels zouden van toepassing zijn op interne voorzieningen die geëxternaliseerd zijn vanaf 1 januari 2012. 

Een zelfde vrijstellingsregime is ingevoerd voor de externalisatie van interne pensioentoezeggingen gefinancierd door bedrijfsleidersverzekeringen. De 80%-regel is ook van toepassing op de externalisatie. In een dergelijk geval is de mogelijkheid van belastingneutrale externalisatie beperkt in de tijd en zal deze enkel mogelijk zijn gedurende een driejarige periode startend op 1 juli 2012. De belastingvrijstelling zal beschikbaar zijn voor kapitalen en afkoopwaarden die overgedragen zijn vanaf 1 juli 2012. 

Bron: Programmawet van 22 juni 2012, Artikel 82-83

Speciale belasting van 1,75% op interne pensioenvoorzieningen

Interne pensioenvoorzieningen die bestaan op het einde van het boekjaar afgesloten voor 1 januari 2012 zullen onderworpen worden een speciale belasting van 1,75%. 

Deze belasting van 1,75% is niet fiscaal aftrekbaar en is verschuldigd ongeacht of de bestaande pensioenvoorzieningen zouden worden geëxternaliseerd. De belasting zal worden geheven samen met de (gewone) inkomstenbelasting voor aanslagjaar 2013 en kan gespreid worden over 3 jaar aan 0,6% per jaar. 

Bron: Programmawet van 22 juni 2012, Artikel 66-67

Invoering van rapporteringsverplichtingen 

Vanaf 1 januari 2013 zijn, om zo een betere controle op de zogenaamde 80% regel mogelijk te maken, betalingen door de werkgever met betrekking tot extra-legale pensioenen enkel fiscaal aftrekbaar als ze gerapporteerd worden aan een pensioendatabank. Een gelijkaardige voorwaarde is ingevoerd voor pensioenen en renten die rechtstreeks betaald worden door de werkgever, alsook voor interne pensioenvoorzieningen die zijn gevormd met het oog op dergelijke extra-legale pensioenen of uitkeringen. 

Bron: Programmawet van 22 juni 2012, Artikel 62-63

Kosten van bedrijfswagens 

De aftrek van kosten van bedrijfswagens varieert momenteel tussen 50% en 100% (120% voor elektrische wagens), afhankelijk van de CO2-uitstoot en het brandstoftype. Brandstofkosten zijn tot 75% aftrekbaar. Volgens de huidige praktijk kunnen de verworpen uitgaven in hoofde van de onderneming worden verminderd met het voordeel van alle aard dat in aanmerking wordt genomen in hoofde van de begunstigden. Volgens een recente beslissing van het Antwerpse hof van beroep (17 mei 2011) kunnen ook de persoonlijke bijdragen door de begunstigden in mindering worden gebracht.

In de Wet van 28 december 2011 houdende diverse bepalingen wordt een nieuwe aanvullende verworpen uitgave voor bedrijfswagens ingevoerd. Deze bijkomende verworpen uitgave is gelijk aan 17% van het voordeel van alle aard in hoofde van de begunstigde (zijnde 6/7 van de cataloguswaarde x CO2 coëfficiënt x leeftijdsfactor). Deze bijkomende verworpen uitgave vormt tevens de minimale belastbare basis van een onderneming (code 112 van de aangifte). Indien de onderneming een overdraagbaar verlies heeft, zal de minimale belastbare basis geen impact hebben op het overdraagbaar bedrag. Met andere woorden, het overdraagbaar verlies mag niet worden verhoogd met de verworpen uitgave.

De nieuwe verworpen uitgave is van toepassing op voordelen van alle aard toegekend vanaf 1 januari 2012. Merk op dat deze regeling ook van toepassing is op rechtspersonen die krachtens artikel 220, 2° en 3° WIB onderworpen zijn aan de rechtspersonenbelasting.

Bron: Wet van 28 december 2011 houdende diverse bepalingen, Artikel 43, 46-50

Contacts

André Claes
Partner 
aclaes@deloitte.com

Latest developments

Twitter feed

Email Us Facebook Twitter Youtube LinkedIn Corporate LinkedIn Alumni Flickr

Material on this website is © 2013 Deloitte Global Services Limited, or a member firm of Deloitte Touche Tohmatsu Limited, or one of their affiliates. See Legal for copyright and other legal information.

Deloitte refers to one or more of Deloitte Touche Tohmatsu Limited, a UK private company limited by guarantee, and its network of member firms, each of which is a legally separate and independent entity. Please see www.deloitte.com/about for a detailed description of the legal structure of Deloitte Touche Tohmatsu Limited and its member firms.

Get connected

 

More on Deloitte
Learn about our site