Aangepast op: 30 juli 2012
Maatregelen inzake vennootschapsbelasting | Maatregelen aangaande indirecte belastingen | Andere belastingmaatregelen
Overzicht van de maatregelen inzake personenbelasting in het begrotingsakkoord 2012

De Wet van 28 december 2011 houdende diverse bepalingen bepaalt het belastbaar voordeel in natura op 6/7e van de cataloguswaarde van de bedrijfswagen, vermenigvuldigd met de CO2-uitstoot coëfficiënt.
Onder cataloguswaarde verstaat men de gefactureerde waarde (met inbegrip van de BTW en opties, zonder rekening te houden met kortingen). Uit de parlementaire werkzaamheden blijkt dat deze definitie van cataloguswaarde zowel voor nieuwe als tweedehandse voertuigen geldt. Voor tweedehands wagens is het dus in principe de factuur met betrekking tot de tweedehandse verkoop die in rekening moet worden genomen (zie evenwel enkele aangekondigde wijzigingen hieronder).
Het CO2-basispercentage bedraagt 5,5% voor een CO2-uitstoot van 95 g/km voor voertuigen met een dieselmotor of 115 g/km voor voertuigen met een benzine-, LPG- of aardgasmotor. Wanneer de CO2-uitstoot hoger ligt dan de referentie-uitstoot, wordt de CO2-coëfficiënt verhoogd met 0,1% per gram CO2-uitstoot (met een maximumpercentage van 18%). Wanneer de uitstoot lager ligt dan de referentie, wordt dat percentage met 0,1% per CO2-gram verminderd (met een minimumpercentage van 4%). Het voordeel in natura kan nooit lager zijn dan 820 EUR/jaar. Dit minimum wordt geïndexeerd en bedraagt 1.200 EUR voor het aanslagjaar 2013.
De wet bevestigt dat het voordeel in natura kan worden verminderd worden met de persoonlijke bijdrage van de begunstigde.
Daarnaast zullen de verworpen uitgaven van de tewerkstellende onderneming worden verhoogd met 17% van bedrag van het voordeel in natura zoals hierboven bepaald (d.w.z. 6/7e van de cataloguswaarde x de CO2 coëfficiënt). Deze nieuwe, bijkomende verworpen uitgave zal de minimaal belastbare basis worden voor het bedrijf (code 112 van de aangifte).
Tenslotte wordt de mogelijkheid om 0,15 EUR per kilometer af te trekken voor woon-werkverkeer beperkt. Volgens de nieuwe regels kan deze aftrek nooit hoger zijn dan het bedrag van het belastbaar voordeel in natura.
Deze nieuwe maatregelen zijn van toepassing op voordelen in natura toegekend met ingang van 1 januari 2012.
Bron: Wet van 28 december 2011 houdende diverse bepalingen, Artikel 39-40
De Programmawet van 29 maart 2012 heeft het nieuwe belastingregime voor bedrijfswagen op twee aspecten gewijzigd.
Om misbruik en discriminatie te voorkomen, werd de definitie van cataloguswaarde gewijzigd. Voortaan is de cataloguswaarde de catalogusprijs van de wagen in nieuwe staat bij verkoop aan een particulier, inclusief opties en de werkelijk betaalde belasting over de toegevoegde waarde doch zonder rekening te houden met enige korting, vermindering, rabat of restorno. Bovendien wordt zowel voor nieuwe als voor tweedehands wagens bij de berekening van het belastbaar voordeel in natura rekening gehouden met de ouderdom van het voertuig door op de cataloguswaarde een percentage toe te passen in functie van de periode die verstreken is sinds de eerste inschrijving van de wagen (of dit nu in België of in het buitenland gebeurde):
Deze ouderdomspercentages moeten worden toegepast vanaf aanslagjaar 2013, uitgezonderd voor de berekening van de bedrijfsvoorheffing waarbij deze pas zullen mogen worden toegepast op de voordelen die vanaf 1 mei 2012 worden toegekend.
Op 13 april 2012 heeft de belastingadministratie een update van de veelgestelde vragen gepubliceerd op de website van de FOD Financiën (Nederlands | Frans) waarin richtlijnen worden gegeven over de interpretatie van de nieuwe regels met betrekking tot bedrijfswagens.
Bron: Programmawet van 29 maart 2012, artikel 143 en programmawet van 22 juni 2012, artikel 85
Het begrotingsakkoord voorziet in een verhoging van de belastbare basis van het voordeel in natura met betrekking tot de gratis terbeschikkingstelling door de vennootschap van een privéwoning aan bedrijfsleiders. Het Koninklijk Besluit dat deze maatregel invoert, werd gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 28 februari 2012, en is van toepassing op voordelen van alle aard toegekend vanaf 1 januari 2012.
Krachtens dit Koninklijk Besluit dient het voordeel in natura voor onroerende goederen met een kadastraal inkomen hoger dan 745 EUR vanaf 2012 als volgt te worden berekend: 100/60 van het geïndexeerde kadastraal inkomen van het onroerend goed, vermenigvuldigd met 3,8 (voordien te vermenigvuldigen met 2).
Voorbeeld:
Een managementvennootschap is eigenaar van een huis met een kadastraal inkomen (geïndexeerd) van 4.000 EUR en stelt dit (ongemeubeld) goed gratis ter beschikking van haar afgevaardigde bestuurder. Onder de nieuwe regeling bedraagt het voordeel van alle aard 25.333 EUR (13.333 EUR onder de oude regeling).
Het Koninklijk Besluit koppelt verder ook het voordeel van alle aard voor het gratis gebruik van verwarming en electriciteit aan de index (artikel 178 WIB). Voor inkomstenjaar 2012 bedraagt het voordeel van alle aard:
a) verleend aan leidinggevend personeel en bedrijfsleiders:
b) verleend aan andere verkrijgers:
Bron: Koninklijk Besluit van 23 februari 2012, Artikel 2
De Wet van 26 maart 1999 bepaalt dat de aandelenopties belastbaar zijn op het moment van de toekenning als de opties schriftelijk worden aanvaard binnen de 60 kalenderdagen na aanbieding, ongeacht of de uitoefening van de opties voorwaardelijk is of niet. Latere voordelen bij de verkoop van de optie, de uitoefening van de optie of de verkoop van de aandelen die worden gerealiseerd buiten een professionele activiteit zijn niet meer belastbaar als beroepsinkomen.

Voor niet-beursgenoteerde aandelenopties, wordt het belastbaar voordeel in natura (bij toekenning) op forfaitaire basis bepaald. Vóór 2012 bedroeg dit 15% van de waarde van de onderliggende aandelen op het moment van aanbod. Wanneer de termijn van uitoefenbaarheid van de opties meer dan 5 jaar bedraagt, wordt het bedrag van het belastbaar voordeel verhoogd met 1% van de waarde van de onderliggende aandelen per bijkomend jaar (of deel van een jaar). Een verlaagd percentage is van toepassing indien aan een aantal voorwaarden wordt voldaan. Dit percentage bedroeg tot en met 2011 7,5% en dient met 0,5% verhoogd te worden per jaar boven de 5 jaar.
De Wet van 28 december 2011 houdende diverse bepalingen verhoogt het basistarief dat gehanteerd dient te worden voor de bepaling van het voordeel van alle aard van 15% naar 18%. Het verlaagde percentage van 7,5% wordt verhoogd naar 9%.
De verhoogde tarieven zijn van toepassing op de aandelenopties aangeboden vanaf 1 januari 2012.
Bron: De Wet van 28 december 2011 houdende diverse bepalingen, Artikel 72
De Wet van 28 december 2011 houdende diverse bepalingen voorziet in een verhoging van de verlaagde roerende voorheffing van 15% op dividenden tot 21%. Het tarief van 15% was van toepassing op (i) dividenden van aandelen uitgegeven vanaf 1 januari 1994 door het openbaar aantrekken van spaargelden; (ii) dividenden van aandelen uitgegeven vanaf 1 januari 1994 in ruil voor een inbreng in geld en die vanaf hun uitgifte het voorwerp hebben uitgemaakt van een inschrijving op naam bij de uitgever; en (iii) dividenden uitgekeerd door erkende beleggingsvennootschappen.
Het standaardtarief van de roerende voorheffing op dividenden blijft gehandhaafd op 25%. Liquidatieboni blijven onderworpen aan 10% roerende voorheffing. De inkoop van eigen aandelen echter kan niet langer genieten van het 10%-tarief en is ook onderworpen aan het tarief van 21%.
Het standaardtarief van de roerende voorheffing op interest werd verhoogd van 15% tot 21%.
De roerende voorheffing van 15% blijft behouden voor interesten op staatsobligaties die uitgegeven en onderschreven zijn in de periode tussen 24 november en 2 december 2011. Inkomsten uit spaardeposito’s blijven onderworpen aan 15% roerende voorheffing voor het gedeelte boven de vrijgestelde schijf. De vrijstelling (aan de bron) van roerende voorheffing op interesten tot maximaal € 1.830 (per belastingbetaler – bedrag voor aanslagjaar 2013) blijft behouden (bijgevolg geen uitstel tot het moment van uitgifte van het aanslagbiljet).
Royalties blijven onderworpen aan 15% roerende voorheffing.
Bron: De Wet van 28 december 2011 houdende diverse bepalingen, Artikel 27, 29, 33-34
Belastingbetalers met een bedrag aan roerende inkomsten, zijnde interesten en dividenden zoals gedefinieerd in artikel 17, § 1, 1 ° en 2 ° WIB, van meer dan € 13.675 netto per jaar, worden onderworpen aan een bijkomende belastingheffing (‘solidariteitsbijdrage’) van 4% op de roerende inkomsten die deze grens overschrijden. Onder het ‘netto bedrag’ wordt het geïnde of ontvangen bedrag verstaan, vóór aftrek van eventuele inningskosten en andere soortgelijke kosten, en verhoogd met de roerende voorheffing en de woonstaatheffing (indien van toepassing). Het bedrag van € 13.675 wordt geïndexeerd en bedraagt € 20.020 voor aanslagjaar 2013.
Onder de roerende inkomsten die in aanmerking komen voor het bepalen van de grens worden niet begrepen: het vrijgestelde gedeelte van interesten uit spaardeposito's en andere interesten en dividenden die niet belastbaar zijn overeenkomstig artikel 21 WIB (zoals inkoop- of liquidatieboni uit bepaalde beleggingsvennootschappen), interesten op staatsobligaties die uitgegeven en onderschreven zijn in de periode tussen 24 november en 2 december 2011, alsook liquidatieboni.
Tegelijkertijd is de bijkomende belastingheffing van 4% niet verschuldigd op belastingvrije interesten uit spaardeposito's en andere interesten en dividenden die niet belastbaar zijn overeenkomstig artikel 21 WIB, op interesten op bovengenoemde staatsobligaties en evenmin op liquidatieboni. De 4% bijkomende belastingheffing is ook niet verschuldigd op interesten en dividenden die onderworpen zijn aan 25% roerende voorheffing. Om de grens van € 20.020 te bepalen, worden eerst interesten en dividenden die belast worden tegen het tarief van 25% in rekening gebracht, alsook de belaste interesten op spaardeposito’s.
Er worden twee systemen voor het innen van de verschuldigde belastingen voorzien:
Verder bevestigt de Wet van 28 december 2011 houdende diverse bepalingen dat er geen gemeentelijke opcentiemen verschuldigd zijn bovenop de bijkomende belastingheffing van 4%.
De bevoegde dienst voor het verzamelen van informatie betreffende de roerende inkomsten van de belastingbetaler is een "centraal contactpunt" dat opgericht zal worden binnen de FOD Financiën, maar los van de fiscale administraties. Dit centraal contactpunt zal alle informatie automatisch doorsturen naar de controlekantoren wanneer de roerende inkomsten van een belastingbetaler meer dan € 20.020 per jaar bedragen. Indien dit bedrag niet overschreden wordt, zal het centraal contactpunt deze informatie slechts aanleveren op expliciet verzoek van de belastingkantoren en dit voor zover dit noodzakelijk blijkt voor het heffen van de bijkomende belasting. Merk op dat de informatie met betrekking tot interesten en dividenden die belast worden tegen 25% automatisch zullen worden doorgegeven aan het centraal contactpunt (geen keuze). Anderzijds is er geen verplichting om het centraal contactpunt te informeren over interesten en dividenden die vrijgesteld worden conform artikel 21 WIB.
In deze context dient te worden vermeld dat de wijzigingen door de Wet van 28 december 2011 van artikel 313 WIB (hetgeen de aangifteplicht in de personenbelasting regelt voor roerende inkomsten) enkele ongewenste gevolgen met zich meebrengt met betrekking tot roerende inkomsten die vrijgesteld zijn van roerende voorheffing maar niet van personenbelasting. Het betreft roerende inkomsten die niet zijn vrijgesteld door artikel 21 WIB, zoals dividenden van woning-vastgoedbevaks en (private) privaks. Op basis van de huidige wetgeving zouden deze inkomsten niet langer vrijgesteld zijn. Aangezien dit niet de bedoeling was van de Regering, valt een herstelwet in dit verband te verwachten.
De FOD Financiën had op 23 februari 2012 aangekondingd dat de bijkomende belastingheffing van 4% nog niet kon worden geïnd, bij gebrek aan praktische modaliteiten. Deze modaliteiten zijn uiteindelijk op 5 april 2012 gepubliceerd in het online persbureau van de federale regering (Nederlands | Frans).
De bijkomende belastingheffing van 4% moet aangegeven worden via een nieuw belastingformulier 273C dat beschikbaar is op Finform (Nederlands | Frans) en op de portaalsite van de FOD Financiën (Nederlands | Frans).
Momenteel is enkel een schriftelijke indiening mogelijk; e-filing zal “binnenkort” beschikbaar zijn via RV-on-web. De betaling moet gebeuren binnen 15 dagen vanaf de toekenning of de betaling van het dividend of de interest op bankrekening BE 79 6792 0022 1033, PCHQ BE BB.
Bron: Wet van 28 december 2011 houdende diverse bepalingen, Artikel 25-26, 28, 30-33, 35, 37, programmawet van 29 maart 2012, artikel 145 en programmawet van 22 juni 2012, artikel 86
De programmawet van 29 maart 2012 bevat een aantal verduidelijkingen omtrent de bijkomende belastingheffing van 4%.
Indien niet de uitgever maar een betalingsagent (bv. een bank) het roerend inkomen betaalt, is het de betalingsagent die ofwel de bijkomende belastingheffing van 4% moet heffen ofwel moet voldoen aan de rapporteringsverplichtingen
Bron: programmawet van 29 maart 2012, artikel 145
De programmawet van 22 juni 2012 heeft een aantal technische correcties ingevoerd op de bijkomende belastingheffing van 4% die voornamelijk te maken hebben met rapporterings- en betalingsverplichtingen van de schuldenaars van interest en dividend inkomsten.
Voor interesten of dividenden betaald of toegekend tussen 1 januari en 1 augustus 2012 zullen geen boetes, noch interest voor laattijdige betaling verschuldigd zijn in geval van laattijdige indiening of laattijdige betaling. Belastingaangiftes en betalingen met betrekking tot roerende inkomsten betaald of verschuldigd binnen dit tijdskader zullen als wettelijk geldig beschouwd worden.
Bron: programmawet van 22 juni 2012, artikel 86-88
De afzonderlijke belastingtarieven die van toepassing zijn op pensioenkapitalen (die zijn opgebouwd via werkgeversbijdragen) worden vanaf 1 januari 2013 verhoogd in geval van vervroegde pensionering (20% in geval van pensionering op 60-jarige leeftijd, 18% in geval van pensionering op 61 jaar, 16,5% in geval van pensionering tussen 62 to 64 jaar en 10% in het geval van pensionering op 65 jaar).
Een vervroegde (maar niet bevrijdende) heffing van 6,5% zal worden geheven op de reserves opgebouwd met premies betaald voor 1 januari 1993 voor levensverzekeringen en contracten met betrekking tot pensioensparen die genoten van een belastingvermindering voor langetermijnsparen.

Vanaf 1 januari 2012 dienen interne pensioenbeloftes te worden uitbesteed aan (op de pensioenbijdragen zou de premietaks van 4,4% van toepassing zijn, behalve voor de interne pensioenbeloftes die opgebouwd zijn op het einde van het vorige boekjaar afgesloten voor 1 januari 2012 en die vrijwillig uitbesteed zijn). Een gelijkaardige maatregel zou worden ingevoerd voor de uitbesteding van zogenaamde bedrijfsleidersverzekeringen waarmee individuele pensioentoezeggingen gefinancierd zijn, zij het met een andere inwerkingtreding en waarbij andere regels van toepassing zullen zijn in geval van vrijwillige uitbesteding. Er zijn maatregelen ingevoerd in geval van vrijwillige uitbesteding om belasting te vermijden op niveau van het individu. Voor verdere informatie over deze maatregel, verwijzen wij u naar de pagina in verband met de maatregelen inzake vennootschapsbelasting.
Bij de begrotingscontrole van maart 2012 is de regering overeengekomen om gedeeltelijk te anticiperen op de heffing op de uitkeringen aan personen met een verzekeringscontract dat in aanmerking komt voor het belastingsvoordeel voor lange-termijn sparen en pensioensparen (derde pensioenpijler). Deze uitkeringen worden momenteel belast tegen 10%, behalve als ze voortkomen uit premies betaald voor 1 januari 1993, in welk geval ze belast worden tegen het tarief van 16,5%. De programmawet van 22 juni 2012 bevat maatregelen om laatstgenoemd tarief te verlagen tot 10% en om het verschil van 6,5% onmiddellijk (in plaats van op de leeftijd van 60 jaar) te innen in hoofde van de verzekeringsmaatschappijen.
Bron: programmawet van 22 juni 2012, Artikel 63
De Wet van 28 december 2011 houdende diverse bepalingen brengt een aantal wijzigingen aan aan de fiscale behandeling van energiebesparende uitgaven.
Energiebesparende uitgaven (bijvoorbeeld voor isolatie, plaatsen van dubbel glas of zonnecelpanelen) gaven aanleiding tot een belastingvermindering van 40% (binnen bepaalde grenzen). De Wet van 28 december 2011 houdende diverse bepalingen schaft deze belastingvermindering af voor contracten gesloten vanaf 28 november 2011, met uitzondering van investeringen voor dakisolatie. De vroegere regeling blijft van toepassing voor contracten (andere dan met betrekking tot dakisolatie) afgesloten vóór 28 november 2011 op voorwaarde dat de investering wordt gedaan in 2012. Voor dakisolatie wordt de belastingvermindering gehandhaafd, maar verlaagd tot 30% voor investeringen waarvan het contract is gesloten na 27 november 2011. De overdraagbaarheid van belastingoverschotten en de omzetting van de belastingvermindering in een terugbetaalbaar belastingkrediet worden afgeschaft voor investeringen afgesloten na 27 november 2011. Voor investeringen (met uitzondering van dakisolatie) op basis van contracten afgesloten vóór 28 november 2011 wordt de overdraagbaarheid gehandhaafd op voorwaarde dat de investering wordt gedaan in 2012. De reeds bestaande overdraagbaarheid (van vorige aanslagjaren) zal niet worden aangetast.
De fiscale stimuli voor lage energiewoningen, nulenergiewoningen en passiefhuizen worden afgeschaft vanaf aanslagjaar 2013. De belastingvermindering blijft, bij wijze van uitzondering, echtervan toepassing voor woningen waarvoor uiterlijk op 31 december 2011 een certificaat is uitgereikt door de bevoegde instantie. Omwille van de administratieve achterstand, worden de certificaten die zijn uitgereikt gedurende de periode 1 januari – 29 februari 2012 geacht tijdig te zijn uitgereikt, op voorwaarde dat de aanvraag voor het certificaat vóór 31 december 2011 werd ingediend. De belastingvermindering blijft van toepassing voor woningen die in 2011 of eerder werden gecertificeerd.
Tenslotte wordt het fiscale voordeel voor groene leningen verlaagd tot 30% voor investeringen vanaf 1 januari 2012.
Bron: De Wet van 28 december 2011 houdende diverse bepalingen, Artikel 41-42
De Wet van 28 december 2011 houdende diverse bepalingen bevestigt de afschaffing, met ingang van 1 januari 2012, van de zogenaamde ecopremies of -kortingen op groene wagens, ingevoerd door de wet van 27 april 2007 (MMA-fonds).
Bij wijze van overgangsmaatregel komen voertuigen geleverd in 2012 nog steeds in aanmerking voor de korting als aan drie voorwaarden tegelijkertijd voldaan is:
Bron: De Wet van 28 december 2011 houdende diverse bepalingen, Artikel 70
De belastingvermindering voor dienstencheques (momenteel 30% van de totale kosten, met een maximum van 2.560 EUR) blijft gehandhaafd. Daarentegen zou de prijs van deze cheques in 2013 worden verhoogd van 7,5 EUR naar 8,5 EUR en zal deze in de toekomst ook worden geïndexeerd. Op basis van het Koninklijk besluit van 28 december 2011 tot wijziging van het koninklijk besluit van 12 december 2001 betreffende de dienstencheques wordt het aantal cheques vanaf 1 januari 2012 beperkt tot 1.000 cheques per jaar per familie. Dienstencheques voor schoonmaakdiensten zouden enkel aangewend mogen worden voor privéwoningen.
Vanaf 1 januari 2013 zal het maximum aantal cheques verder beperkt worden tot 400 per persoon en 800 per gezin. Het zal nog altijd mogelijk zijn 100 extra cheques boven het maximum van 400 te kopen, maar tegen een prijs van 9,5 in plaats van 8,5 EUR.
Bron: Koninklijk besluit van 28 december 2011, Artikel 1
De belastingvrije som voor inkomens beneden 24.410 EUR zou worden verhoogd met 200 EUR vanaf het inkomstenjaar 2013 (aanslagjaar 2014). Dit zou resulteren in een netto loonsverhoging van ongeveer 50 EUR voor inkomstenjaar 2013.
De huidige aftrekbare uitgaven zouden worden vervangen door een belastingvermindering van 30%. Een uitzondering zou worden voorzien voor giften, kosten voor kinderopvang en kosten met betrekking tot de enige woning, die van een hogere belastingvermindering van 45% zouden genieten.