Aangepast op: 9 augustus 2012
Maatregelen inzake vennootschapsbelasting | Maatregelen inzake personenbelasting | Andere belastingmaatregelen
Overzicht van de maatregelen aangaande indirecte belastingen opgenomen in het begrotingsakkoord van 2012.
Krachtens de wet van 28 december 2011 houdende diverse bepalingen zijn deurwaarders en notarissen voortaan onderworpen aan BTW, terwijl advocaten momenteel vrijgesteld blijven van BTW. De BTW-administratie publiceerde ook een eerste circulaire inzake de toepassing van de nieuwe regelgeving.
De maatregel is in werking getreden op 1 januari 2012. Dit betekent dat deze beroepen zich op zeer korte termijn moeten registreren en voorbereiden op de toepassing van de BTW-regeling. Daarom voorziet de administratieve richtlijn in een overgangsregime waarbij geen BTW moet worden betaald aan de BTW-administratie tot mei of juli 2012.
De wet van 28 december 2011 houdende diverse bepalingen wijzigt ook de bepaling inzake de herziening van voorheen gerecupereerde BTW (de zogenaamde ‘BTW-herziening’). Volgens de memorie van toelichting is deze verandering gericht op de uitbreiding van het toepassingsgebied van de regels van de BTW-herziening bij Koninklijk Besluit. Deze maatregel heeft tot doel de situatie te ondervangen waarbij de BTW-positie van een belastingplichtige wijzigt ‘ten gevolge van de afschaffing van een BTW-vrijstelling’. Deze bepaling doelt dus duidelijk op de ondervanging van de BTW-herziening in hoofde van notarissen en deurwaarders. Deze maatregel is uitgevoerd bij het Koninklijk Besluit van 9 januari 2012 dat een nieuw artikel 21bis invoert in het Koninklijk Besluit nr. 3 met betrekking tot de recuperatie en de herziening van de BTW. Deze nieuwe bepaling schrijft voor dat elke BTW-herziening die het gevolg is van de verandering van het BTW-regime niet kan worden teruggevorderd, maar alleen kan worden verrekend met de BTW verschuldigd op de gerealiseerde omzet.
Er wordt op gewezen dat een beroep is ingediend bij het Grondwettelijk Hof om het nieuwe BTW-regime voor notarissen nietig te verklaren omdat het een inbreuk op de Grondwet zou uitmaken.
Bron: Wet van 28 december 2011 houdende diverse bepalingen, Artikel 53

Het BTW-tarief voor digitale televisie is verhoogd van 12% naar 21%. Dit is hetzelfde BTW-tarief dat voorheen van toepassing was op analoge televisie. In voorgaande jaren is deze maatregel in het kader van de begrotingsonderhandelingen herhaaldelijk ter sprake gekomen, maar is nu dus ook effectief doorgevoerd. Deze maatregel is in werking getreden op 1 januari 2012.
Bron: Wet van 28 december 2011 houdende diverse bepalingen, Artikel 55
De wet van 28 december 2011 houdende diverse bepalingen wijzigt de bepaling op basis waarvan herzieningen kunnen plaatsvinden. Naast de wijziging met betrekking tot notarissen en gerechtsdeurwaarders (zie hierboven), sluit de nieuwe bepaling ook een BTW-herziening uit wanneer een niet-belastingplichtige het statuut van belastingplichtige verkrijgt. Deze wijziging in de wettekst wordt niet besproken in het memorie van toelichting, maar beoogt mogelijks in de wetgeving te bevestigen dat een belastingplichtige geen deel van de BTW kan recupereren op kosten gemaakt op een ogenblik waarop hij (nog) niet het statuut van belastingplichtige had (bijvoorbeeld een natuurlijk persoon die economische activiteiten start onderworpen aan BTW of een publieke instelling die start met handelingen onderworpen aan BTW).
Bron: Wet van 28 december 2011 houdende diverse bepalingen, Artikel 54
Naar aanleiding van de begrotingscontrole is de regering overeengekomen het BTW-boete systeem te herzien om het ontradend karakter ervan te verhogen.
Eind juni werd de programmawet gepubliceerd waarin de niet-proportionele BTW-boeten van 25 – 2.500 euro werden verdubbeld naar 50 – 5.000 euro. Op 17 juli 2012 vaardigde de regering een Koninklijk Besluit uit waarin deze nieuwe regels werden geïmplementeerd. De verhoogde boeten zijn van toepassing op inbreuken begaan vanaf 1 juli 2012.
Het Koninklijk Besluit stelt de niet-proportionele boeten vast die van toepassing zijn bij inbreuken op formele BTW-verplichtingen (bijvoorbeeld het niet of laattijdig indienen van BTW-aangiftes en listings, niet of laattijdig uitreiken van facturen of andere documenten, incorrecte factuurvermeldingen, inbreuken op de BTW-boekhouding, etc.). Dit Koninklijk Besluit vervangt het oude Koninklijk Besluit n° 44.
De belangrijkste punten van dit Koninklijk Besluit zijn:
De BTW-administratie heeft ook meegedeeld dat de administratieve verminderde boeten niet langer van toepassing zijn vanaf 1 juli 2012, wat met zich meebrengt dat in de praktijk een eerste inbreuk in principe meteen aanleiding tot een boete zal geven.
Een tweede Koninklijk Besluit werd gepubliceerd waarin de proportionele geldboete voor de niet-betaling van BTW waarvan de opeisbaarheid blijkt uit een ingediende BTW-aangifte of voor het opmaken van een ‘bijzondere rekening’, wordt opgetrokken van 10% naar 15% van de verschuldigde belasting. De andere proportionele boeten blijven onveranderd.
Bron: Programmawet van 22 juni 2012, Artikel 41
Eén van de regio’s heeft de Minister van Financiën verzocht om de haalbaarheid van de versnelling van de aangiftetermijn voor nalatenschappen te onderzoeken. Dit zou de regio’s toelaten om éénmalig extra inkomsten te realiseren.
Bron: Programmawet van 22 juni 2012, Artikel 43
De accijnzen op tabakworden verhoogd. Er is een verhoging van 0,3 eurocent per pakje sigaretten en van 0,2 eurocent voor roltabak. Daarnaast is de bijzondere accijns voor vervaardigde tabak verhoogd tot €9,5/kg. Deze verhogingen worden toegepast vanaf 1 januari 2012.
De regering is overeengekomen om de accijnzen op roltabak verder te verhogen met 1,5 euro/kg (tot 11 euro/kg). De accijns op sigaretten zal verhoogd worden met 0,13% en met 0,32 euro per 1.000 stuks. De betalingstermijn voor accijnzen op tabak zal met één week worden verkort in 2012. De regering mikt ook op een schikking met Luxemburg met betrekking tot de gemeenschappelijke accijnzen en invoerrechten.
Bron: Wet van 28 december 2011 houdende diverse bepalingen, Artikel 57 en programmawet van 22 juni 2012, Artikel 39
De wet van 28 december 2011 houdende diverse bepalingen voorziet in een verhoging van de beurstaks van 30% voor transacties die vanaf 1 januari 2012 uitgevoerd worden, wat tot de volgende nieuwe tarieven leidt:

Het maximale bedrag van de beurstaks per transactie is verhoogd van €500 naar €650 (standaard) en van €750 naar €975 (kapitalisatieaandelen). De gedligheid en het mechanisme van de beurstaks blijven onveranderd.
De regering is overeengekomen om de beurstaks voor transacties uitgevoerd in de periode van 1 mei 2012 tot 31 december 2014 verder te verhogen:
Het tarief van 0,09% zal onveranderd blijven. Het maximale bedrag van de beurstaks per transactie zal verhoogd worden van €650 naar €740 (standaard) en van €975 naar €1.500 (kapitalisatieaandelen).
De gedligheid en het mechanisme van de beurstaks blijven onveranderd.
Bron: Wet van 28 december 2011 houdende diverse bepalingen
De regering is overeengekomen om de beurstaks voor transacties uitgevoerd in de periode van 1 mei 2012 tot 31 december 2014 verder te verhogen:
Het tarief van 0,09% zal onveranderd blijven. Het maximale bedrag van de beurstaks per transactie zal verhoogd worden van €650 naar €740 (standaard) en van €975 naar €1.500 (kapitalisatie-aandelen).
Een maatregel die hoog op de agenda stond in het kader van de onderhandelingen voor de begroting 2012, was de herziening van de bankenheffing. De bankenheffing werd eerst niet gezien als een budgettaire maatregel; men wou vooral een nieuwe wettelijke basis voorzien voor de bestaande bankenheffing die eerder was vernietigd door het Grondwettelijk Hof.
In navolging van de financiële crisis in 2008, voerde de wet van 15 oktober 2008 een bankenheffing in die diende om het Bijzonder Beschermingsfonds voor Deposito’s en Levensverzekeringen te financieren. Dit fonds biedt sinds 2008 een garantie tot 100.000 euro voor spaarrekeningen en bepaalde verzekeringsproducten. In navolging van de splitsing van Dexia (Koninklijk Besluit van 10 oktober 2011), voorziet het fonds ook in een bescherming voor de kapitaalinbreng in erkende coöperatieve vennootschappen.
Onder de regeling van de bankenheffing, zijn alle financiële instellingen die deelnemen aan het depositogarantiefonds ertoe gehouden een jaarlijkse bijdrage te betalen van 0,15% van de deposito’s die in aanmerking komen (bedrag bepaald op 30 september van het voorgaande jaar) of 0.15% van de reserves voor levensverzekeringen.
De manier waarop de bankenheffing werd opgelegd, werd door een aantal kleinere Belgische banken aangevochten, omdat de gevolgen niet in verhouding stonden voor banken die hoofdzakelijk gefinancierd werden door spaargelden in tegenstelling tot banken die voor hun financiering een beroep deden op de kapitaalmarkten, wat in de praktijk voordeliger was voor de grotere banken. De kwestie werd uiteindelijk voorgelegd aan het Grondwettelijk Hof dat op 23 juni 2011 tot de conclusie kwam dat de bankenheffing kredietinstellingen die zich hoofdzakelijk financierden via spaardeposito’s discrimineerde, omdat de heffing totaal geen rekening hield met het risicoprofiel van een kredietinstelling. Aangezien het gelijkheidsprincipe hierdoor werd geschonden, heeft het Grondwettelijk Hof de wet die het tarief van 0,15% oplegde, vernietigd. Wel werd de toepassing van het arrest uitgesteld tot 31 december 2011.

Om de financiering van het garantiefonds voor deposito’s te verzekeren vanaf 2012, was dus een wetgevend initiatief nodig.
De maatregelen die in de begroting worden voorzien met betrekking tot de bankenheffing, bestaan uit twee aparte heffingen.
Vooreerst, zal een nieuwe financiële-stabiliteitsbijdrage gevraagd worden van alle in België gevestigde banken. Deze bijdrage zal 3.5 basispunten bedragen van het totaal bedrag van de passiva min de vaste activa en min de door het beschermingsfonds gewaarborgde deposito’s. Deze maatregel zou €100 miljoen euro opbrengen in 2012 en is van toepassing op alle banken.
Ten tweede, wordt de bijdrage voor het beschermingsfonds voor deposito’s, die reeds de voorgaande jaren van toepassing was, herzien en vastgelegd voor 2012 op 24.5 basispunten op het totaal bedrag van deposito’s beschermd door het fonds. Voor 2013 wordt het tarief terug verminderd tot 15 basispunten. Op het niveau van de individuele banken, zal de bijdrage vastgesteld worden aan de hand van een gewogen ratio van het risicoprofiel van de bank waarbij de kapitalisering, de kwaliteit van de activa en de liquiditeit van het kapitaal in aanmerking genomen wordt. De precieze berekening van deze gewogen ratio en de omvang is momenteel niet gekend. Met deze aanpassingen aan de individuele bijdragen wil men rekening houden met de eerdere kritiek van het Grondwettelijk Hof.
Bron: Wet tot invoering van een bijdrage voor de financiële stabiliteit
Het regeerakkoord met betrekking tot de budgetcontrole voorziet in een verhoging van de abonnementstaks op spaardeposito’s van 0,08%. De verhoging zal gemoduleerd worden in functie van de loan-to-deposit ratio van de banken. Voor het jaar 2012 zal die verhoging doorgevoerd worden door een uitzonderlijke heffing die berekend wordt op de uitstaande deposito’s op 30 juni 2012 om zo het rendement van 17 miljoen euro te bereiken. Deze verhoging wordt in voorkomend geval gedeeltelijk gecompenseerd door een verlaging van de depositobijdrage.
De onderhandelende partijen bereikten ook een overeenkomst over de nucleaire bijdrage die in 2012 €550 miljoen euro moet opbrengen voor de Belgische schatkist (dit betekent een verhoging van €300 miljoen). Deze heffing wil de extra winsten belasten die het gevolg zijn van het langer openhouden van de kerncentrales in België. Zoals voorgaande jaren, zal de nucleaire heffing rechtstreeks geheven worden van de verschillende energieproducenten naar verhouding van hun aandeel in de capaciteit van de kerncentrales in België. Een klacht van de nucleaire producenten werd in 2010 nog afgewezen door het Grondwettelijk Hof.
De omzetting van effecten aan toonder in gedematerialiseerde effecten of geregistreerde effecten zal aanleiding geven tot een heffing in 2012 en 2013.
Het belastbare feit is de ‘omzetting’, i.e. de dematerialisatie van effecten aan toonder door ze te plaatsen op een effectenrekening bij een financiële instelling of door de registratie van aandelen bij de vennootschap die ze heeft uitgegeven. Effecten die schulden van de publieke sector vertegenwoordigen (en die vallen onder de wet van 2 januari 1991), met een vervaldag voor 1 januari 2014, vallen niet onder deze nieuwe regeling.
Het belastingtarief zal 1% bedragen voor omzettingen in 2012 en 2% voor omzettingen in 2013.
Voor genoteerde effecten zal de belastbare basis de laatste notering zijn voor de datum van plaatsing op een effectenrekening of registratie bij de uitgever van de aandelen.
De belastbare basis voor niet-genoteerde effecten zal als volgt zijn:
Indien de waarde van de effecten uitgedrukt wordt in een vreemde munt, dan wordt zij omgezet in euro op basis van de verkoopkoers op de datum van de omzetting.
De belasting wordt ingehouden door de financiële tussenpersoon (voor omzettingen in gedematerialiseerde effecten) of door de uitgevende vennootschap (voor omzettingen in geregistreerde effecten).
Bron: Wet van 28 december 2011 houdende diverse bepalingen, Artikel 61-68
De Ministerraad heeft een reeks relancemaatregelen afgekondigd, waaronder de afschaffing van de waarborg voor de vergunning voor de verlegging van invoer-BTW (de zogenaamde ET. 14.000 vergunning).
Momenteel kunnen bedrijven kiezen tussen 2 methodes om invoer-BTW te voldoen:
De tweede methode, waarbij de voldoening van de invoer-BTW wordt verlegd naar de BTW-aangifte, wordt vaak gebruikt door bedrijven die veel invoeren en die op die manier het cashflow-nadeel en de voorfinanciering van de betaling van invoer-BTW op het moment van douane-inklaring willen vermijden.
Tot op heden is de toekenning van de vergunning verbonden aan de betaling van een borg, wat een concurrentienadeel vormt ten opzichte van andere landen waar een dergelijke vergunning zonder borgstelling bestaat (voornamelijk Nederland). Deze borg is gelijk aan 1/24ste van de BTW over de werkelijke invoeren die gedurende het vorige jaar plaatsvonden. Daarenboven moet de borg bij het begin van elk nieuw kalenderjaar herzien worden op basis van het werkelijke bedrag aan invoer-BTW dat aangegeven werd tijdens het voorgaande kalenderjaar.
De Belgische regering heeft nu beslist om deze borg af te schaffen. De regering hoopt dat hierdoor het goederenverkeer via de Belgische havens een stijging zal kennen.
Verdere details over de datum van de afschaffing zijn nog niet bekend.
Tegelijkertijd met de afschaffing van de borg werd aangekondigd dat de vergunning voor de verlegging van invoer-BTW wordt uitgebreid naar BTW-vertegenwoordigers met een globaal BTW-nummer.
Globale BTW-vertegenwoordigers beschikken over een bijzonder BTW-nummer (beginnend met BE 796.5 of BE 796.6), wat hen de mogelijkheid geeft om simultaan verschillende buitenlandse bedrijven te vertegenwoordigen die activiteiten uitoefenen in België. Dit regime kan enkel worden toegepast voor bepaalde handelingen (e.g. invoeren gevolgd door een intracommunautaire levering).
Tot op heden was het niet mogelijk voor globale BTW-vertegenwoordigers om een dergelijke vergunning aan te vragen. Invoer-BTW moest betaald worden op het moment van de inklaring door de douane. Om de activiteiten van de Belgische havens te ondersteunen, zal de vergunning nu uitgebreid worden naar globale BTW-vertegenwoordigers.
Piet Vandendriessche
Global Indirect Tax Leader
pvandendriessche@deloitte.com
| btw-kost van bedrijfswagens | |
| Recente wijzigingen in btw tarieven in Europa | |
| European VAT Rates Applicable VAT rates as of 1 January 2012 |
|
| OECD (2011) Consumption Tax Trends 2010 |