Bookmark Email Print page

Begroting 2012

Maatregelen inzake vennootschapsbelasting

Aangepast op: 16 mei 2012

Maatregelen inzake personenbelasting | Maatregelen aangaande indirecte belastingen | Andere belastingmaatregelen

Overzicht van de maatregelen inzake vennootschapsbelasting in het 2012 begrotingsakkoord. 

Meerwaarden op aandelen 

De meerwaardevrijstelling van 100% van het bedrag van de netto meerwaarden is behouden , maar de vrijstelling is nu onderworpen aan een 1-jarige houdvereiste. Voor de toepassing van de meerwaardevrijstelling dienen de aandelen gedurende een ononderbroken periode van ten minste één jaar in volle eigendom worden aangehouden.

Een speciale regeling bestaat voor de berekening van de 1-jarige houdvereiste van aandelen verkregen als tegenprestatie voor belastingneutrale verrichtingen (met name bedoeld in artikel 46, §1, eerste lid, 2°, 211, 214, §1 en 231, 66 2 en 3, en die, waar vereist, ingegeven zijn door zakelijke overwegingen zoals bepaald in artikel 183bis WIB). In deze gevallen wordt de 1-jarige houdperiode berekend vanaf de datum waarop de geruilde aandelen zijn verkregen (de belastingneutrale verrichting wordt met andere woorden buiten beschouwing gelaten). 

Als de aandelen minder dan één jaar worden aangehouden, zullen de meerwaarden onderworpen worden aan een afzonderlijke belasting tegen het tarief van 25,75%. 

Meerwaarden op aandelen zullen bijgevolg onderworpen zijn aan één van de volgende drie fiscale regimes: 

  • Vrijstelling indien voldaan is aan zowel de taxatievoorwaarde als de minimale houdtermijn; 
  • Belasting aan 25,75% als de taxatievoorwaarde vervuld is, maar niet voldaan is aan de minimale houdtermijn; 
  • Belasting aan 33,99% van zodra de taxatievoorwaarde niet vervuld is. 

Er is niets veranderd met betrekking tot minderwaarden en waardeverminderingen op aandelen: die blijven niet aftrekbaar, tenzij het gaat om minderwaarden verwezenlijkt naar aanleiding van de vereffening van de vennootschap waarin de aandelen worden aangehouden. 

De zogenaamde “tradingvennootschappen” geregeld door het Koninklijk besluit van 23 september 1992 (met betrekking tot de jaarrekening van de kredietinstellingen, de beleggingsondernemingen en de beheervennootschappen van instellingen voor collectieve belegging) zijn niet onderworpen aan deze nieuwe regels voor zover het verrichtingen betreft op de effecten die behoren tot de handelsportefeuille (bijvoorbeeld aandelen die als trading stock worden gehouden om binnen een korte termijn te verkopen). Meerwaarden op dergelijke aandelen  zijn volledig belastbaar, terwijl minderwaarden en waardeverminderingen volledig aftrekbaar zullen zijn. Speciale regels zijn ook voorzien voor interne overdrachten van aandelen van en naar de handelsportefeuille. 

De nieuwe regels zijn van toepassing met ingang van aanslagjaar 2013. Ze gelden ook voor meerwaarden (evenals minderwaarden en waardeverminderingen) gerealiseerd (of geboekt) vanaf 28 november 2011 tijdens een belastbaar tijdperk afgesloten ten vroegste op de datum van publicatie van de wet, zijnde 6 april 2012. Iedere wijziging van de afsluitingsdatum van de jaarrekening vanaf 28 november 2011 zal worden genegeerd voor de toepassing van deze nieuwe regels.

Bron: Programmawet van 29 maart 2012, artikel 146

Tarief roerende voorheffing 

De Wet van 28 december 2011 houdende diverse bepalingen voorziet in een verhoging van de verlaagde roerende voorheffing van 15% op dividenden tot 21%. Het tarief van 15% was van toepassing op (i) dividenden van aandelen uitgegeven vanaf 1 januari 1994 door het openbaar aantrekken van spaargelden; (ii) dividenden van aandelen uitgegeven vanaf 1 januari 1994 in ruil voor een inbreng in geld en die vanaf hun uitgifte het voorwerp hebben uitgemaakt van een inschrijving op naam bij de uitgever; en (iii) dividenden uitgekeerd door erkende beleggingsvennootschappen. 

Het standaardtarief van de roerende voorheffing op dividenden blijft gehandhaafd op 25%. Liquidatieboni blijven onderworpen aan 10% roerende voorheffing. De inkoop van eigen aandelen daarentegen kan niet langer genieten van het 10%-tarief en is ook onderworpen aan het tarief van 21%. De bestaande vrijstellingen van roerende voorheffing blijven behouden. 

Het standaardtarief van de roerende voorheffing op interest werd verhoogd van 15% tot 21%. 

De roerende voorheffing van 15% blijft behouden voor interest op staatsobligaties die uitgegeven en onderschreven zijn in de periode tussen 24 november en 2 december 2011. Alle andere staatsobligaties zijn voortaan onderworpen aan het standaardtarief van 21%. 

De tariefverhoging van 15% naar 21% is van toepassing op interesten en dividenden die betaald of toegekend worden vanaf 1 januari 2012.

Bron: Wet van 28 december 2011 houdende diverse bepalingen

Notionele interestaftrek 

Tarief – Wet houdende diverse bepalingen 

Het tarief van de notionele interestaftrek zal ook in de toekomst jaarlijks worden bepaald op basis van de OLO-rente. Door de Wet van 28 december 2011 houdende diverse bepalingen is het vroegere maximumtarief van 6,5% voor grote ondernemingen en 7% voor KMO’s evenwel verlaagd tot 3% voor grote ondernemingen en tot 3,5% voor KMO’s. Deze nieuwe maximumtarieven zijn van toepassing vanaf aanslagjaar 2013. Op basis van de gemiddelde OLO-rente voor 2011 zou het tarief van de notionele interestaftrek (afgerond) 4,2% en 4,7% hebben bedragen. Vandaar dat voor aanslagjaar 2013 de nieuwe maxima van 3% en 3,5% ook de effectief toepasbare tarieven zijn.

Bron: Wet van 28 december 2011 houdende diverse bepalingen

Overdraagbaarheid 

De mogelijkheid om de niet-gebruikte notionele interestaftrek gedurende 7 belastbare tijdperken over te dragen zal worden afgeschaft met ingang van aanslagjaar 2013. De “stock” aan niet-gebruikte aftrek per 31 december 2011 zal overdraagbaar blijven, maar het gebruik ervan zal worden beperkt. 

Met het oog op de bepaling van de belastbare grondslag, zal de aftrek van “stock” aan notionele interestaftrek de laatste bewerking in de aangifte in de vennootschapsbelasting worden. Het bedrag dat als notionele interestaftrek in rekening kan worden gebracht, zou maximaal 60%van het (op dat ogenblik overblijvende) winstsaldo mogen bedragen. Deze beperking zal echter niet van toepassing zijn op het eerste miljoen van de belastbare basis voor aftrek van de notionele interestaftrek. De “stock” die door deze beperking ongebruikt blijft, zal kunnen overgedragen worden tot de volledige benutting van het bedrag dat aftrekbaar zou zijn als de 60% beperking niet had bestaan (onafhankelijk van het verstrijken van de 7 jarige overdrachtperiode). Dit betekent dat de “stock” aan notionele interestaftrek die onder de huidige overdrachtregeling (maximum 7 jaar) aftrekbaar is, krachtens de nieuwe regeling aftrekbaar zal blijven doch over een langere periode zal mogen worden afgetrokken.

Onderkapitalisatie 

De 7:1 onderkapitalisatieregel  is vervangen door een algemene 5:1 schuld / eigen vermogen ratio. 

De nieuwe regeling is geïmplementeerd door de Programmawet van 29 maart 2012

Uit het persbericht van de Ministerraad van 27 april 2012 dat werd gepubliceerd op 2 mei 2012 blijkt dat de Ministerraad heeft ingestemd met een wijziging (zie hieronder) aan de nieuwe onderkapitalisatieregel zoals die geïmplementeerd is door de Programmawet van 29 maart 2012.

Schuld wordt gedefinieerd als: 

  • enerzijds alle intra-groepsleningen. De term “groep” wordt gedefinieerd bij verwijzing naar het vennootschapsrechtelijk concept van verbonden vennootschappen in de zin van artikel 11 van het Wetboek van vennootschappen; en
  • anderzijds, alle leningen waarvan de werkelijke verkrijger van de interesten niet onderworpen is aan een inkomstenbelasting of, voor die inkomsten, onderworpen is aan een aanzienlijk gunstigere belastingregeling dan die welke voortvloeit uit de bepalingen van gemeen recht van toepassing in België. 

Zoals reeds het geval is op dit moment, wordt met obligaties of andere gelijksoortige effecten uitgegeven door een openbaar beroep op het spaarwezen geen rekening gehouden. Daarenboven zullen voortaan ook leningen toegestaan door banken en financiële instellingen als bedoeld in art. 56, §2, 2° WIB buiten beschouwing blijven. 

Evenzo is de nieuwe regeling niet van toepassing op leningen afgesloten door: 

  • vennootschappen voor roerende leasing (zoals bedoeld in artikel 2 van het Koninklijk Besluit nr. 55) en vennootschappen waarvan de voornaamste activiteit uit factoring of onroerende leasing bestaat voor zover deze ondernemingen actief zijn in definanciële sector en voor zover de ontleende kapitalen effectief dienen voor leasing- en factoringactiviteiten. Volgens de memorie van toelichting dient men onder “financiële sector” de vennootschappen te verstaan die aan permanent prudentiëelprudentieel toezicht van de Nationale Bank van België en de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten worden onderworpen; 
  • vennootschappen waarvan de voornaamste activiteit bestaat uit het uitvoeren van een project van publiek-private samenwerking gegund na inmededingingstelling conform de reglementering inzake overheidsopdrachten. 

Eigen vermogen wordt gedefinieerd als de som van de belaste reserves bij het begin van het belastbare tijdperk en het gestorte kapitaal op het einde van het belastbaar tijdperk. Voor verenigingen zonder winstoogmerkdie aan de vennootschapsbelasting onderworpen zijn, dient onder gestort kapitaal te worden verstaan, de fondsen van de vereniging zoals die uit de balans blijken. 

Een anti-misbruik maatregel voorziet dat leningen, gegarandeerd of gefinancierd door een “besmette” derde (die een deel of het geheel van de risico’s van de lening draagt) worden geacht te zijn verleend door deze derde (vergelijk met de “anti-channeling” bepaling in het kader van de regeling “fortaitair gedeelte van de buitenlandse belasting”).

Het door de Ministerraad voorgestelde amendement heeft tot doel de aangekondigde oplossing te bieden voor de mogelijke nadelige gevolgen van de nieuwe onderkapitalisatieregel voor groepen die bepaalde intra-groeps financieringsactiviteiten centraliseren in België. De oplossing voorgesteld door de Ministerraad zou bestaan in een netting op het niveau van de interesten die betrekking hebben op kwalificerende centrale thesauriebeheer activiteiten. Het voorgestelde nettingmechanisme zou impliceren dat de betaalde of toegekende interesten voor de toepassing van de onderkapitalisatieregel verminderd zouden worden met ontvangen interesten.

De netting van interest zou mogelijk zijn indien de belastingplichtige kan aantonen dat de interest betrekking heeft op kwalificerende transacties verricht in het kader van een raamovereenkomst voor gecentraliseerd thesauriebeheer binnen een groep van ondernemingen. Gecentraliseerd thesauriebeheer zou voornamelijk cash pooling (dit wil zeggen dagelijks thesauriebeheer) omvatten en uitzonderlijk bepaalde vormen van langere termijn thesauriebeheer. Inkomen ontvangen van verbonden entiteiten gevestigd in belastingparadijzen zou niet in aanmerking komen voor netting.

In de eerste versie van het ontwerp van programmawet werd de datum van de inwerkingtreding van de nieuwe onderkapitalisatieregeling vastgelegd op de datum van de publicatie van de wet in het Belgisch Staatsblad. 

De Commissie van Financiën heeft echter een amendement aangenomen waarbij de inwerkingtreding afzonderlijk zal vastgelegd worden bij in ministerraad goedgekeurd KB (uiterlijk op 1 juli 2012)Dit uitstel moet de regering toelaten een “budgettair neutraal en juridisch en technisch solide” oplossing uit te werken voor de mogelijke nadelige gevolgen van de nieuwe onderkapitalisatieregel voor groepen die bepaalde financiële activiteiten centraliseren in België (bv. cash pooling). De datum van inwerkingtreding zou worden afgestemd op de datum van inwerkingtreding van de voorgestelde wijzigingen.

Bron: Programmawet van 29 maart 2012, artikel 147, 2° & 3° en persbericht van de Ministerraad van 27 april 2012.

Extra-legale pensioenschema’s 

Vanaf 1 januari 2012 zou het niet langer mogelijk zijn om individuele pensioenverbintenissen ten gunste van zelfstandige bedrijfsleiders (“pensioenbelofte / promesse de pension”) via een interne provisie te financieren. Dergelijke verbintenissen zouden voortaan opgebouwd moeten worden buiten de onderneming, dat wil zeggen via een verzekeringsonderneming of een pensioenfonds. Bijdragen betaald uit hoofde van dergelijke verbintenissen zijn onderworpen aan de 4,4% taks op verzekeringspremies.

Initiële plannen om een verplichting in te voeren om ook reeds bestaande interne provisies te externaliseren, zouden zijn opgedoekt. Volgens de laatste berichten, zouden interne pensioenvoorzieningen die op het einde van aanslagjaar 2012 reeds aangelegd zijn, niet moeten worden geëxternaliseerd en zouden zij onderworpen worden aan een eenmalig tarief van 1,75%, waarvan de betaling desgewenst gespreid kan worden in 3 schijven van 0,6%. Deze belasting van 1,75% zou fiscaal niet aftrekbaar zijn en zou verschuldigd zijn ongeacht of de bestaande pensioenvoorzieningen zouden worden geëxternaliseerd. Bestaande pensioenvoorzieningen die zouden worden geëxternaliseerd voor het einde van aanslagjaar 2015 zouden vrijgesteld zijn van de verzekeringstaks van 4,4%.

Ook de plannen om een nieuwe beperking in te bouwen in de zogenaamde 80%-regel door de aftrekbaarheid van de pensioenbijdragen te koppelen aan het hoogste ambtenarenpensioen, zouden zijn opgedoekt. Als alternatief denkt de regering er aan om pensioenbijdragen aan een speciale sociale zekerheidsbijdrage van 1,5% te onderwerpen, in de mate dat de pensioen bijdragen een bepaalde drempel overschrijden.

Vanaf 1 januari 2013 zouden, om zo een betere controle op de zogenaamde 80% regel mogelijk te maken, betalingen met betrekking tot extra-legale pensioenen enkel fiscaal aftrekbaar zijn als ze gerapporteerd worden aan een pensioendatabank. Een gelijkaardige voorwaarde zou worden ingevoerd voor pensioenen en renten die rechtstreeks betaald worden door de werkgever, alsook voor interne pensioenvoorzieningen die zijn gevormd met het oog op dergelijke extra-legale pensioenen of uitkeringen.

Kosten van bedrijfswagens 

De aftrek van kosten van bedrijfswagens varieert momenteel tussen 50% en 100% (120% voor elektrische wagens), afhankelijk van de CO2-uitstoot en het brandstoftype. Brandstofkosten zijn tot 75% aftrekbaar. Volgens de huidige praktijk kunnen de verworpen uitgaven in hoofde van de onderneming worden verminderd met het voordeel van alle aard dat in aanmerking wordt genomen in hoofde van de begunstigden. Volgens een recente beslissing van het Antwerpse hof van beroep (17 mei 2011) kunnen ook de persoonlijke bijdragen door de begunstigden in mindering worden gebracht.

In de Wet van 28 december 2011 houdende diverse bepalingen wordt een nieuwe aanvullende verworpen uitgave voor bedrijfswagens ingevoerd. Deze bijkomende verworpen uitgave is gelijk aan 17% van het voordeel van alle aard in hoofde van de begunstigde (zijnde 6/7 van de cataloguswaarde x CO2 coëfficiënt). Deze bijkomende verworpen uitgave vormt tevens de minimale belastbare basis van een onderneming (code 112 van de aangifte). Indien de onderneming een overdraagbaar verlies heeft, zal de minimale belastbare basis geen impact hebben op het overdraagbaar bedrag. Met andere woorden, het overdraagbaar verlies mag niet worden verhoogd met de verworpen uitgave.

De nieuwe verworpen uitgave is van toepassing op voordelen van alle aard toegekend vanaf 1 januari 2012. Merk op dat deze regeling ook van toepassing is op rechtspersonen die krachtens artikel 220, 2° en 3° WIB onderworpen zijn aan de rechtspersonenbelasting.

Bron: Wet van 28 december 2011 houdende diverse bepalingen

Contacts

André Claes
Partner 
aclaes@deloitte.com

Latest developments

Twitter feed