Aangepast op: 10 april 2012
Maatregelen inzake vennootschapsbelasting | Maatregelen inzake personenbelasting | Maatregelen aangaande indirecte belastingen
De algemene anti-misbruikbepaling (artikel 344 § 1 Wetboek Inkomstenbelastingen, artikel 106, 2de lid Wetboek Successierechten, art. 18 § 2 Wetboek der Registratierechten) werd herschreven. Het voornaamste doel van de wijziging is dat de fiscus niet langer moet aantonen dat de herkwalificatie van de rechtshandeling(en) uitgevoerd door de belastingplichtige identieke of minstens gelijksoortige rechtsgevolgen heeft als de oorspronkelijke rechtshandeling(en).

Naar aanleiding van het advies van de Raad van State is de oorspronkelijke tekst van de algemene anti-misbruikbepaling in de programmawet ingrijpend gewijzigd.
De herziene versie van de anti-misbruikbepaling bestaat uit 4 onderdelen:
Het is niet langer de juridische kwalificatie die niet tegenstelbaar is; de herziene anti-misbruikbepaling voorziet dat de rechtshandeling zelf (of het geheel van rechtshandelingen die samen één transactie uitmaken) niet tegenstelbaar is aan de fiscus;
De fiscus moet fiscaal misbruik aantonen door vermoedens of andere in artikel 340 Wetboek Inkomstenbelastingen / artikel 185 Wetboek der Registratierechten vermelde bewijsmiddelen. Dit bewijs moet gebaseerd zijn op objectieve omstandigheden. Er is sprake van fiscaal misbruik wanneer de belastingplichtige door middel van een rechtshandeling of een geheel van rechtshandelingen één van de volgende verrichtingen tot stand brengt:
De belastingplichtige kan de toepassing van de anti-misbruikbepaling vermijden als hij aantoont dat de keuze voor zijn rechtshandeling(en) verantwoord is door andere motieven dan het ontwijken van belasting. Volgens de memorie van toelichting houdt dit in dat de belastingplichtige het bewijs dient te leveren dat zijn keuze “wezenlijk” gemotiveerd is door niet-fiscale redenen. Met andere woorden, de fiscus kan niet enkel verrichtingen met uitsluitend belastingmotieven betwisten, maar ook verrichtingen waarbij de niet- fiscale motieven zo algemeen zijn dat ze aanwezig zijn in elke transactie van hetzelfde type of zo onbelangrijk zijn vergeleken met het fiscaal motief dat ze niet kunnen worden aanvaard, aangezien deen “redelijk” persoon de handeling niet zou gesteld hebben zonder het fiscaal voordeel.
Indien de belastingplichtige er niet in slaagt één of meer voldoende niet-fiscaal gebaseerde motieven aan te halen, kan de fiscus de belastbare grondslag en de belastingberekening “herstellen” op een zodanige wijze dat de verrichting aan een belastingheffing overeenkomstig het doel van de wetwordt onderworpen, alsof het misbruik niet heeft plaatsgevonden. Er wordt niet langer expliciet vermeld dat de effecten en gevolgen van het geherdefinieerd feitenpatroon kunnen verschillen van deze die volgen uit de handelingen uitgevoerd door de belastingplichtige.
Voor inkomstenbelastingen is de nieuwe anti-misbruik bepaling van toepassing vanaf aanslagjaar 2013, alsmede op alle rechtshandelingen (of een geheel van rechtshandelingen) die voltrokken zijn in aanslagjaar 2012, indien het belastbaar tijdperk op of na de datum van publicatie van de programmawet eindigt – een anti-misbruik bepaling is toegevoegd zodat de fiscus elke wijziging in de afsluitdatum van de jaarrekening vanaf 28 november 2011 naast zich kan leggen.
Voor registratie- en successierechten is de nieuwe bepaling van toepassing op handelingen (of een geheel van handelingen die voltrokken zijn vanaf de eerste dag van de tweede maand volgend op de maand waarin de wet is gepubliceerd, dit is 1 juni 2012 (de programmawet werd gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 6 april 2012).
Bron: Programmawet van 29 maart 2012, artikel 167-169
De maatregelen tegen fiscale fraude omvatten ondermeer (i) een betere controle op “turbo vruchtgebruik” structuren (of zelfs een toename van de waarde van het daaraan gerelateerde voordeel in natura), (ii) de betere inning van verkeersboetes, (iii) de beperking van cashbetalingen, (iv) de harmonisatie van de wettelijke bepalingen inzake onderzoek en procedure, zodat de meest strikte regels van toepassing zijn op alle belastingen en (v) een uitgebreide meldingsplicht voor notarissen (in het bijzonder op het vlak van successierechten).
Het begrotingsakkoord bevat ook verschillende maatregelen om de strijd tegen sociale fraude te versterken, zoals:
De regionalisering van de personenbelasting maakt deel uit van een grote Belgische staatshervorming. Hierbij zou de fiscale autonomie van de Gewesten verhoogd worden tot 10,7 miljard EUR voor 2012. Deze maatregel zou het mogelijk moet maken voor de verschillende deelstaten om passende fiscale maatregelen te nemen teneinde beter te voldoen aan de regionale behoeften, met behoud van, onder andere, de solidariteit tussen de deelstaten en het waarborgen van financiële stabiliteit. Naast het fiscale responsabiliseringsmechanisme, zal er tevens een responsabiliseringsmechanisme worden gecreëerd inzake pensioenen en klimaat. Voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest wordt een specifieke toewijzing van financiële middelen voorzien omwille van zijn specifieke kenmerken.
Op basis van het op 1 december 2011 bereikte politieke akkoord (Nederlands | Frans), zullen de Gewesten bevoegd zijn om "gewestelijke aanvullende opcentiemen” (“additionnels regionaux") te heffen op de federale inkomstenbelasting.
Teneinde een aanzienlijke stijging van de personenbelasting te voorkomen, zullen deze aanvullende opcentiemen gecompenseerd moeten worden met een daling van de federale belastingtarieven.
Concreet zullen de Gewesten de mogelijkheid hebben om op de federale belastingen gedifferentieerde opcentiemen per belastingschijf te heffen. Het principe van de progressiviteit moet evenwel geëerbiedigd blijven. Toch zullen de Gewesten het recht hebben om licht af te wijken van de progressiviteit:
Bijvoorbeeld, als de opcentiemen op de tweede belastingschijf 30% zouden bedragen, dan kunnen de opcentiemen voor de derde schijf teruggebracht worden tot maximaal 27% en dit slechts in de mate dat het voordeel voor de belastingbetaler niet meer dan 1.000 EUR bedraagt.
Wat inkomsten betreft die onderworpen worden aan een apart belastingtarief, zullen de Gewesten een eenvormig en uniek tarief van opcentiemen kunnen toepassen (geen differentiëring per schijf). Bepaalde categorieën van afzonderlijk belaste inkomsten blijven echter de exclusieve bevoegdheid van de federale staat. Dit is bijvoorbeeld het geval voor dividenden, interesten en de meerwaarden op roerende waarden. Op deze inkomsten zullen de Gewesten geen aanvullende opcentiemen kunnen heffen.
Bepaalde fiscale uitgaven zullen onder de exclusieve bevoegdheid van de Gewesten vallen. Deze omvatten maatregelen ter stimulering van:
De bevoegdheden over deze fiscale uitgaven komen bovenop de uitgaven waarvoor de Gewesten nu reeds volledig bevoegd zijn (bijvoorbeeld maatregelen om energiebesparende investeringen te stimuleren). Voor al deze zaken, zullen de Gewesten bevoegd zijn om belastingverminderingen of -kredieten te verlenen, maar geen belastingaftrekken.
Bij de uitoefening van hun fiscale autonomie, zullen de Gewesten:
De federale staat blijft volledig bevoegd voor het bepalen van de belastbare grondslag, de bedrijfsvoorheffing en de (progressieve) belastingtarieven.
Dit is ook het geval voor de belasting voor niet-inwoners. De federale overheid zal wel een belastingstelsel toepassen dat rekening houdt met de gewestelijke belastingregels en zodoende de naleving van de EU-verdragsbepalingen m.b.t. de vier fundamentele vrijheden garandeert.
Piet Vandendriessche
Partner
pvandendriessche@deloitte.com
André Claes
Partner
aclaes@deloitte.com
Patrick Derthoo
Partner
pderthoo@deloitte.com